Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AQ6224
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht als verplicht verzekerd ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten aangemerkt? Uitzendovereenkomst. Is er sprake van een gezagsverhouding?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/6437 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is bij de Raad in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle, kenmerk 00/4366, van 12 november 2002. In die uitspraak heeft de rechtbank gegrond verklaard het beroep van gedaagde tegen het besluit van appellant van 2 maart 2000, waarin gedaagde over de periode 19 april 1999 tot en met 30 juni 1999 als verplicht verzekerd ingevolge de werknemersverzekeringswetten werd aangemerkt.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 juli 2004, waar voor appellant is verschenen mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerder wordt aangeduid en gedaagde als eiser - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser is sinds 1989 directeur van [naam vennootschap] dat sinds enkele jaren opereert onder de naam [naam BV]. Sedert 8 januari 1996 is eiser voor 100% directeur groot aandeelhouder (dga).
Vanuit bovengenoemde B.V. is eiser tevens werkzaam als IT-consultant.
Eiser heeft in de periode van 19 april 1999 tot 1 juli 1999 gewerkt bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Voor dit project is eiser door Info Motion B.V. gedetacheerd aan CMG, waarna CMG eiser weer heeft gedetacheerd aan de VNG.
In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzekeringsplicht aanwezig is omdat is voldaan aan de vereisten van het sedert 1 januari 1999 geldende artikel 7:690 BW (de uitzendovereenkomst).
In het bestreden besluit heeft verweerder primair gesteld dat eiser verplicht verzekerd is op grond van de uitzendovereenkomst, subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 5 aanhef en onder d van de WAO, de ZW en de WW in samenhang met artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986/655 (verder: het KB) en meer subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 5 aanhef en onder d van de WAO, de ZW en de WW in samenhang met artikel 5 van het KB.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich tevens op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een arbeidsverhouding welke is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, welke leidt tot verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de WAO, de ZW en de WW.
In een schrijven d.d. 19 september 2002 is verweerder teruggekomen op dit laatste standpunt. Wegens voortschrijdend inzicht stelt verweerder thans dat er wel sprake is van een arbeidsverhouding welke is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking."

In hoger beroep heeft appellant dit nadere standpunt verder onderbouwd door te verwijzen naar de uitspraak van de Raad van 29 april 2004, AO8691, USZ 2004/194. Appellant leest deze uitspraak aldus dat de Raad van oordeel zou zijn dat voor het aanwezig achten van een uitzendovereenkomst getoetst dient te worden en voldaan moet worden aan de voorwaarden van zowel artikel 7:610 als 7:690 van het BW. In casu acht appellant zowel het, voor de toetsing aan artikel 7:610 van het BW noodzakelijke, gezag aanwezig in de relatie tussen gedaagde en Info Motion, als de, voor de toetsing aan artikel 7:690 van het BW, noodzakelijke leiding en toezicht bij CMG dan wel VNG.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake was van verzekeringsplicht, noch op grond van artikel 3 van de sociale verzekeringswetten, noch op grond van artikel 5 aanhef en onder d van de wetten in combinatie met artikel 3 of 5 van het KB. Ten aanzien van artikel 5 KB heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu gedaagde uit hoofde van zijn arbeidsverhouding niet als werknemer kan worden beschouwd, zich de situatie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder a van het KB voordoet.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geding dat is voldaan aan de vereisten van persoonlijke arbeidsverrichting en loonbetalingsverplichting, zodat de Raad zich zal beperken tot het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezagsverhouding in het kader van de toets naar verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale verzekeringswetten.

Naar het oordeel van de Raad kan er niet gesproken worden van een gezagsrelatie tussen Info Motion en gedaagde. De werkzaamheden verrichtte gedaagde niet ten kantore van Info Motion, zodat het geven van opdrachten niet direct voor de hand ligt. Het achteraf kunnen controleren van het aantal gewerkte uren en het feit dat Info Motion er (commercieel) belang bij had voldoende gekwalificeerde personen in haar bestand te hebben, acht de Raad onvoldoende om in de onderhavige arbeidsverhouding van gezag te kunnen spreken. Uit de gedingstukken blijkt niet, en dit is ook ter zitting van de Raad erkend, dat appellant onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er leiding en toezicht was van de zijde van CMG, dan wel VNG, zodat derhalve ook niet langs deze weg van de vereiste gezagsverhouding is gebleken. De Raad acht derhalve geen verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale verzekeringswetten aanwezig.

Subsidiair heeft appellant de verzekeringsplicht gebaseerd op artikel 5 van de sociale verzekeringswetten in combinatie van artikel 3 of 5 van het KB. Ten aanzien hiervan doet zich de vraag voor of er sprake is van de uitzondering van de verzekeringsplicht zoals verwoord in artikel 8 van het KB, derhalve de vraag of gedaagde de werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige.

Zoals hierboven is weergegeven is gedaagde directeur en 100% aandeelhouder van Creative Alliance Information Consultants B.V.. Blijkens de bedrijfsomschrijving is een van de doelstellingen van de B.V. ‘systeembouw in eigen beheer en op detacheringsbasis’. Het zich onder de gedingstukken bevindende overzicht van de werkzaamheden van gedaagde geeft blijk van een grote verscheidenheid aan activiteiten en een groot aantal, elkaar min of meer opvolgende, opdrachten op detacheringsbasis dan wel werkzaamheden bij derden die rechtstreeks door gedaagde zelf zijn verworven en die ingebed in de bedrijfsvoering van de vennootschap worden uitgevoerd. Uit het door appellant verrichtte onderzoek blijkt niet waarom in de onderhavige arbeidsverhouding gedaagde de werkzaamheden niet zou hebben verricht in de hoedanigheid van zelfstandige. Desgevraagd kon de gemachtigde van appellant dat ter zitting ook niet nader onderbouwen.

Derhalve acht de Raad geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, of een daarmee gelijk te stellen dienstbetrekking, zodat appellant ten onrechte verzekeringsplicht heeft aangenomen voor de periode 19 april 1999 tot en met 30 juni 1999.

Uit dit alles volgt dat de aangevallen uitspraak, op deels andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van, voor vergoeding in aanmerking komende, kosten niet is gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 409,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x