Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR2123
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft de betrokken werknemer in een privaatrechtelijke dienstbetrekking gestaan of is hij als zelfstandige ondernemer aan te merken?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/4212 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. W. Frankema, werkzaam bij AVM Juristen te Leeuwarden, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen onder reg.nr. 01/835 ALGEM op 14 juni 2002 gewezen uitspraak van de rechtbank Leeuwarden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 4 juni 2004 de Raad een nieuwe premieberekening over het jaar 1996 doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 juli 2004, waar voor appellante is verschenen T. Dijkstra, directeur van appellante, en haar gemachtigde mr. Frankema, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


[werknemer] (hierna: [werknemer]), die zich per 13 juli 1994 heeft laten inschrijven als loonslagersbedrijf bij de Kamer van Koophandel, heeft in de jaren 1994 tot en met 1997 in die hoedanigheid vlees uitgebeend voor en in het bedrijf van appellante in dezelfde ruimte met vaste werknemers. Naar aanleiding van een medio 1999 uitgevoerde looncontrole over de jaren 1994 tot en met 1998 heeft gedaagde de voor de werkzaamheden in 1996 uitbetaalde bedragen aan [werknemer] aangemerkt als premieplichtig loon en dit standpunt neergelegd in de correctienota van 29 februari 2000 (primair besluit).
Bij besluit van 16 augustus 2001 heeft gedaagde het namens appellante tegen het primaire besluit van 29 februari 2000 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, voorzover betrekking hebbende op de toepassing van het anoniementarief. In dit verband wordt appellante medegedeeld dat hierover inmiddels contact is opgenomen met de betreffende afdeling om een en ander te wijzigen en dat deze wijziging uit de eerstvolgende premienota zal blijken.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 16 augustus 2001 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Namens appellante is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad merkt in de eerste plaats op dat gedaagde bij het besluit van 16 augustus 2001 geen eindbeslissing heeft gegeven, maar heeft volstaan met een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar en de mededeling dat een nadere premienota nog zal volgen. Dit heeft geleid tot de hiervoor bij brief van 4 juni 2004 overgelegde premieberekening over het jaar 1996.
Gedaagde - en met gedaagde ook de rechtbank - heeft aldus miskend dat de bezwaarschriftprocedure is bedoeld als een volledige bestuurlijke heroverweging waarbij rekening dient te worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Indien het bezwaar gedeeltelijk gegrond wordt verklaard voorzover betrekking hebbende op de hoogte van het premieloon, dient belanghebbende niet in het ongewisse te worden gelaten omtrent de betekenis van die gegrondverklaring voor het besluit waartegen het bezwaarschrift was gericht. In dit geval heeft gedaagde verzuimd bij zijn besluit van 16 augustus 2001 aan te geven in hoeverre het bij besluit van 29 februari 2000 vastgestelde premieloon in neerwaartse zin wordt aangepast.
Deze wijze van besluitvorming gedraagt zich niet met het bepaalde in artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw, voor beroep bij de rechtbank vatbaar, besluit neemt.

Op grond van het bovenstaande dienen het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak vernietigd te worden.

Met betrekking tot de inhoud van het besluit van 16 augustus 2001 overweegt de Raad het volgende.

In geschil is de vraag of het standpunt van gedaagde dat [werknemer] in het jaar 1996 tot appellante in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan en niet, zoals laatstgenoemde meent, als zelfstandige ondernemer in de uitoefening van een vrij beroep zijn specialistische arbeid als uitbener heeft verricht, voor juist moet worden gehouden.

De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat deze vraag in het onderhavige geval bevestigend moet worden beantwoord.

De Raad heeft daarbij gelet op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden werden uitgevoerd, bezien in het licht van de voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking geldende criteria, te weten de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting tot loonbetaling en de aanwezigheid van een gezagsverhouding. Met de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is gegeven dat [werknemer] verzekerd was ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.

Ten eerste is naar ’s Raads oordeel gelet op het afgesproken vaste uurloon sprake van een loonbetaling door appellante aan [werknemer] als vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.

Voorts acht de Raad de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting aanwezig. Daarbij wijst de Raad op de zich onder de gedingstukken bevindende factuurbedragen. Gelet op deze factuurbedragen in vergelijking met het uurtarief van f 25,--, werkte [werknemer] zo’n 80 á 90 uren per week in 1996 voor appellante. De omstandigheid dat [werknemer], zoals door appellante is aangevoerd, de vrijheid heeft van komen en gaan brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Gelet op het groot aantal uren dat [werknemer] voor appellante per week werkzaam is geweest, komt de Raad tot de conclusie dat metterdaad geen sprake is geweest van een vrijheid van komen en gaan. Daardoor is voldaan aan het vereiste van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, te meer omdat van (willekeurige) vervanging niet is gebleken.

Ten slotte oordeelt de Raad dat ook aan het derde element van een dienstbetrekking is voldaan, namelijk het aanwezig zijn van een gezagsverhouding. De door [werknemer] verrichte uitbeenwerkzaamheden vormden een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van appellante en waren structureel ingebed in de bedrijfsvoering. Het overige personeel maakte vervolgens het vlees verder klaar voor de toonbank. Blijkens de gedingstukken was [werknemer] in 1996 gedurende lange tijd vrijwel continue als een doorlopend beschikbare deskundige oproepkracht voor ten minste 90% van zijn reguliere arbeidstijd in een in wezen volledig financieel-economische afhankelijke arbeidsrelatie voor appellante werkzaam en had hij geen andere opdrachtgevers. Er vond overleg plaats met de chef slagerij over de werkzaamheden die [werknemer] zou gaan uitvoeren en met betrekking tot de aanvoer van het benodigde vlees.
Bij dit oordeel heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat, gelet op hetgeen namens appellante door de heer Dijkstra ter zitting van de Raad is verklaard, appellante met name voor [werknemer] had gekozen en niet voor een op externe locatie werkende uitbenerij, omdat zij dan toezicht had op de kwaliteit van het uitgebeende vlees.
Dat appellante in de dagelijkse praktijk nauwelijks tot geen instructies aan [werknemer] behoefde te geven doet niet af aan het bestaan van een gezagsverhouding. Immers voor het aannemen van een gezagsverhouding is volgens vaste jurisprudentie voldoende dat de mogelijkheid bestaat tot het geven van aanwijzingen dan wel het uitoefenen van controle en/of toezicht.

Aan het vorenstaande kan niet af doen de gestelde zelfstandigheid van [werknemer]. Indien, gelijk te dezen het geval is, wordt voldaan aan de vereisten voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, kan geen betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat [werknemer] zijn diensten aanbiedt vanuit zijn eigen bedrijf.
Ten overvloede merkt de Raad hierbij nog op dat in het onderhavige geval zeker niet meer gesproken kan worden van een startende ondernemer. Uit de gedingstukken is immers gebleken dat [werknemer] vanaf 1994 tot medio 1997, derhalve meer dan drie jaar, nog steeds slechts appellante als enige opdrachtgever had, dat er al die tijd geen sprake is geweest van een relevante investering in de hoedanigheid van zelfstandige (het gebruik van eigen messen en hakgereedschap is hierbij dusdanig algemeen dat er voor deze branche een aparte onkostenvergoeding voor slagers/uitbeners in loondienst is), en dat [werknemer] ook nimmer voor zijn bedrijf enige reclame heeft gemaakt.

Met betrekking tot het in hoger beroep gedane beroep op het gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen overweegt de Raad dat niet is aangetoond dan wel gebleken dat van de zijde van gedaagde uitdrukkelijk op ondubbelzinnige wijze en ongeclausuleerd uitlatingen zijn gedaan, waaraan appellante rechtens te honoreren verwachtingen heeft kunnen ontlenen.

De Raad zal, nu gedaagde terecht geoordeeld heeft dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking op grond waarvan een correctienota over het jaar 1996 is opgelegd en overigens de uitkomst van de in rubriek I vermelde premieberekening over het jaar 1996 niet is bestreden, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien als onder III is bepaald.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar van appellante tegen de premienota van 29 februari 2000 in zoverre gegrond dat de over 1996 na te heffen premie ter zake van het premieplichtig loon van J.J. van der Wier wordt vastgesteld op het in de bijlage van de brief van 4 juni 2004 vermelde bedrag van f 21.847,14;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 510,50 in beide instanties vergoedt.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x