Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR3494
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de stelselmatig voor lange ritten benaderde privéchauffeur van een BV werkzaam in een privaatrechtelijke dienstbetrekking?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/971 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde verstaan tevens het Lisv.

Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift van 4 januari 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht onder dagtekening 27 januari 2003 tussen partijen gewezen uitspraak (nr. SBR 01/2346).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij schrijven van 16 september 2004, welk schrijven in afschrift per gelijke datum aan gedaagde is verzonden, een pleitnotitie overgelegd, van welke notitie de Raad kennis heeft genomen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 september 2004. Appellante heeft zich daar, zoals tevoren bericht, niet doen vertegenwoordigen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door L.E. Willemen en mr. C.J.M. Kluytmans, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In geschil is het antwoord op de vraag of de heer [betrokkene] (verder te noemen: betrokkene) in 1996 werkzaamheden ten behoeve van appellante in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht.
Op 8 mei 2000 heeft de inspecteur van gedaagde gerapporteerd over het verzekeringsplichtonderzoek bij appellante, in welk rapport staat vermeld dat appellante gebruik heeft gemaakt van de diensten van onder meer betrokkene. Betrokkene heeft naast zijn opleiding werkzaamheden voor appellante verricht als privé-chauffeur. Gedaagde heeft geconcludeerd dat betrokkene in 1996 op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest voor appellante, hetgeen bij primair besluit van 26 oktober 2000 is beslist. In het besluit op bezwaar van 26 oktober 2001 is voormeld standpunt gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat werd voldaan aan de drie vereisten voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zulks overeenkomstig het in het bestreden besluit op bezwaar van gedaagde neergelegde standpunt van gedaagde.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat betrokkene werkzaam was op basis van een overeenkomst van opdracht, zonder gehouden te zijn de werkzaamheden ten behoeve van appellante persoonlijk te verrichten. Voorts meent appellante dat de werkzaamheden niet in een gezagsrelatie werden verricht en dat betrokkene steeds opnieuw de mogelijkheid had de aangeboden overeenkomst te aanvaarden of te weigeren. Ten onrechte is volgens appellante geen waarde gehecht aan het feit dat betrokkene tijdens de uitvoering van de overeenkomst geheel vrij was in de uitvoering daarvan. Appellante meent dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, nu er geen sprake is van een gezagsverhouding tussen appellante en betrokkene.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene de werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht. Derhalve heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringen verzekeringsplicht ten aanzien van de door betrokkene verrichte werkzaamheden aangenomen.

Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval te worden geconcludeerd dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling aanwezig zijn, telkens wanneer betrokkene in de periode in geding gehoor gaf aan een oproep van appellante om als chauffeur te komen werken.

Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn vaste jurisprudentie sprake is indien door de werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. In een situatie als de onderhavige, waarin de werkzaamheden in structureel verband worden verricht, in casu gedurende gemiddeld 22 uren per week in de periode in geding, is de Raad van oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van diegene die deze werkzaamheden uitvoert niet aannemelijk is. Betrokkene werd door appellante stelselmatig benaderd voor het rijden van lange ritten. Onder dergelijke feiten en omstandigheden is de Raad van oordeel dat appellante tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden werkgeversgezag over betrokkene kon uitoefenen.

Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de Raad dat betrokkene de werkzaamheden in 1996 persoonlijk heeft verricht en dat niet aannemelijk is gemaakt dat hij zich heeft laten vervangen. Betrokkene heeft immers ter terechtzitting in eerste aanleg blijkens het proces-verbaal verklaard dat hij niet de mogelijkheid had zich te laten vervangen. Appellante heeft er gelet op de specifieke kwaliteiten en de opstelling van betrokkene ook bewust voor gekozen om bij uitstek aan hem opdrachten te verstrekken. De Raad is derhalve van oordeel dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in casu sprake is van verplichting tot persoonlijke dienstverrichting.

Met betrekking tot de verplichting tot loonbetaling is de Raad van oordeel dat in de vergoedingen voor de door betrokkene na afloop van de gewerkte uren gedeclareerde werkzaamheden een vergoeding voor de geleverde arbeidsprestatie is verdisconteerd.

Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x