Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR3619
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Werden de werkzaamheden van betrokkene uitgevoerd onder gezag van appellante? Deze werkzaamheden behoorden tot het wezen van de bedrijfsvoering van appellante en werden ook verricht door personen die onbetwist bij appellante in loondienst werkzaam waren. Oplegging van correctie- en boetenota's. Is er sprake van een gezagsverhouding voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2889 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 24 september 2001 (verder: het bestreden besluit) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 mei 1999, waarmee gedaagde heeft medegedeeld dat H. [betrokkene] in de periode van 13 maart 1995 tot en met 31 maart 1997 verplicht verzekerd was ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, en de daarop gebaseerde correctienota’s van 13 september 1999 en boetenota’s van 20 september 1999.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 18 april 2002, onder nummer 01/3765 CSV, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. J.H. Scholte, werkzaam bij Steenhof & Dinkgreve accountants en belastingadviseurs te Weesp, op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 september 2004. Namens appellante is daar verschenen mr. Scholte, voornoemd, en H.D.J. Lieverst, directeur van appellante en H. [betrokkene], terwijl namens gedaagde is verschenen mr. M.J. Lustenhouer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Uit een door gedaagde ingesteld onderzoek is gebleken dat H. [betrokkene] (verder: [betrokkene]) eind jaren tachtig is ontslagen bij Fokker en daarna een eigen drukkerij en vervolgens een instrumentenmakerij heeft opgericht, waarna hij in 1992 is gestart met een eigen elektra- en c.v.-installatiebedrijf. Vanaf dat moment is appellante één van de opdrachtgevers van [betrokkene]. De looninspecteur heeft tijdens een looncontrole in 1998 vastgesteld dat [betrokkene] in de periode van 13 maart 1995 tot en met 31 maart 1997 nagenoeg uitsluitend voor appellante werkzaam was. Per 1 april 1997 is [betrokkene] in loondienst bij appellante getreden. Gedaagde heeft vervolgens voor de werkzaamheden die [betrokkene] in de periode van 13 maart 1995 tot 1 april 1997 voor appellante heeft verricht verzekeringsplicht van [betrokkene] aangenomen en die primair gebaseerd op artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op artikel 5 van die wetten in samenhang met artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 655. Vervolgens zijn correctie- en boetenota’s verzonden. Appellante heeft zich met name gekeerd tegen de door gedaagde aangenomen verzekeringsplicht van [betrokkene].

In het bestreden besluit heeft gedaagde onder meer overwogen dat de werkzaamheden van [betrokkene] werden uitgevoerd onder gezag van appellante. Die werkzaamheden behoorden tot het wezen van de bedrijfsvoering van appellante en werden ook verricht door personen die onbetwist bij appellante in loondienst werkzaam waren. [Betrokkene] werkte gewoon mee met de andere werknemers van appellante. Gedaagde acht het dan ook onaannemelijk dat [betrokkene] de werkzaamheden verrichtte zonder controle en toezicht van appellante. Vanaf 1 april 1997 verricht [betrokkene] ook dezelfde werkzaamheden als vóór die datum.

De rechtbank heeft zich verenigt met de overwegingen van gedaagde en de verzekeringsplicht van [betrokkene] op grond van artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten onderschreven.

Appellante heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd betwist.

De Raad overweegt als volgt.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag naar de gezagsverhouding tussen appellante en [betrokkene] ten tijde hier van belang.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat [betrokkene] in de hier van belang zijnde periode ongeveer 20% van zijn omzet via andere opdrachtgevers dan appellante verwierf. Voor appellante was hij voor een niet onbelangrijk deel van zijn werkzaamheden belast met het uitvoeren van projecten voor één opdrachtgever van appellante in het buitenland. Dit betrof zeer gespecialiseerde werkzaamheden, waarbij geen werknemers van appellante waren betrokken. [betrokkene] voerde deze opdrachten zelfstandig uit en besliste daarbij, indien hij dat noodzakelijk achtte voor een goede uitvoering van het project, zelf over de inzet van ander personeel dat hij dan vervolgens ook zelf aanstelde. Bij dergelijke opdrachten was [betrokkene] de gesprekspartner van de opdrachtgever en niet appellante. Ook zorgde [betrokkene] voor deze buitenlandse projecten wel eens voor vervolgopdrachten voor appellante.
Bij de afspraak omtrent werkzaamheden die [betrokkene] voor appellante uitvoerde werd bepaald hoeveel uren [betrokkene] maximaal aan een dergelijke opdracht kon besteden. Achteraf diende hij zijn gewerkte uren te verantwoorden aan appellante, die deze gegevens gebruikte voor nacalculatie van de uitgebrachte offerte. Indien de opdrachtgever gebruik van bepaald materiaal eiste was [betrokkene] verplicht de inkoop van dat materiaal via appellante te laten verlopen, bij de andere opdrachtgevers bepaalde hij zelf waar hij zijn materialen inkocht. [betrokkene] beschikte over een eigen bedrijfsauto en eigen gereedschap.

Alle van belang zijnde feiten overziend en in onderlinge samenhang beschouwend komt de Raad tot de conclusie dat de reden voor appellante om [betrokkene] in te schakelen voor de uitvoering van opdrachten voor een niet onbelangrijk deel was gelegen in het feit dat [betrokkene] met gebruikmaking van eigen gereedschap geheel zelfstandig te werk ging met zijn speciale, op eigen deskundigheid gebaseerde arbeidsverrichtingen ter uitvoering van buitenlandse projecten. Gelet ook op het feit dat [betrokkene] tot 13 maart 1995 onmiskenbaar uitsluitend als zelfstandige werkzaam was, waarbij hij ook opdrachten uitvoerde voor appellante, en na 13 maart 1995 zijn werkzaamheden voor appellante tot 1 april 1997 is blijven combineren met werkzaamheden van een zekere omvang voor andere opdrachtgevers, is de Raad van oordeel dat de voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vereiste gezagsverhouding tussen appellante en [betrokkene] ontbreekt. Het feit dat [betrokkene] ook in Nederland voor appellante werkzaamheden heeft verricht die ook door werknemers van appellante werden verricht doet hieraan niet af, nu omvang en frequentie van die werkzaamheden onvoldoende zijn komen vast te staan.

Ten aanzien van de door gedaagde gehanteerde subsidiaire grondslag voor de verzekeringsplicht overweegt de Raad dat [betrokkene] ten tijde hier van belang aangemerkt dient te worden als een persoon die arbeid verricht in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf, wat in de weg staat aan het aannemen van verzekeringsplicht.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, evenals - onder gegrondverklaring van het beroep - het bestreden besluit. De Raad acht tevens termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van totaal € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 531,20 aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x