Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT / CSV
x
LJN:
x
AR3821
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de correctienota's. Matiging van de opgelegde boetenota’s over de premiejaren in geding met 50% in verband met de lange afhandelingsduur van het bezwaarschrift. Nominatieve premievaststelling.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4210 ALGEM, 04/655 CSV en 04/4737 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde 1], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde 1, en [gedaagde 2], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde 2.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 december 1998 (hierna: bestreden besluit 1) heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde 1 tegen de besluiten van 12 december 1997, zijnde correctienota’s over de jaren 1992 tot en met 1994. Appellant heeft bij bestreden besluit 1 voorts de aan gedaagde 1 opgelegde boetenota’s over de genoemde premiejaren met 50% gematigd in verband met de afhandelingsduur van het bezwaarschrift.

Bij besluit van (eveneens) 16 december 1998 (hierna: bestreden besluit 2) heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde 2 tegen het besluit van 18 december 1997, zijnde een correctienota over het jaar 1995. Appellant heeft bij bestreden besluit 2 voorts de aan gedaagde 2 opgelegde boetenota over 1995 met 50% gematigd in verband met de afhandelingsduur van het bezwaarschrift.
De rechtbank Dordrecht heeft de beroepen van gedaagde 1 en gedaagde 2 gevoegd behandeld en deze beroepen bij uitspraak van 15 juni 2001 (hierna: aangevallen uitspraak 1) gegrond verklaard onder vernietiging van de bestreden besluiten 1 en 2.

Appellant heeft bij brief van 26 juli 2001 hoger beroep ingesteld tegen voormelde uitspraak, gegeven inzake gedaagde 1. Bij brief van 3 januari 2002 heeft appellant een aanvullend beroepschrift ingediend, daarin stellende dat het hoger beroep tevens gericht is tegen de aangevallen uitspraak 1, gegeven inzake gedaagde 2.

Namens gedaagde 1 heeft mr. A.F. Ammerlaan, advocaat te Dordrecht, een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 oktober 2002 (hierna: bestreden besluit 3) heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde 2 tegen het besluit van 14 december 2001, zijnde een correctienota over het jaar 1996.

De rechtbank Dordrecht heeft het beroep van gedaagde 2 tegen het bestreden besluit 3 bij uitspraak van 19 december 2003 (hierna: aangevallen uitspraak 2) gegrond verklaard en het bestreden besluit 3 vernietigd.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van de aangevallen uitspraak 2 in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde 2 heeft mr. A.F. Ammerlaan, voornoemd, een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2004, waar namens appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen W. Prins, werkzaam bij het Uwv, en waar voor gedaagden - daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen - is verschenen hun directeur, [naam directeur], bijgestaan door mr. A.F. Ammerlaan, voornoemd.




II. MOTIVERING


Met betrekking tot de ontvankelijkheid van appellants hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1, gegeven inzake gedaagde 2, overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vereist dat het bezwaar- of beroepschrift ten minste bevat een omschrijving van het besluit waartegen het rechtsmiddel is ingesteld. Deze bepaling is, gezien artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

In het onderhavig geding heeft appellant aan genoemd vereiste voldaan door een afschrift van de uitspraak van de rechtbank in de zaken van gedaagde 1 en gedaagde 2 mee te zenden met het hoger beroepschrift van 26 juli 2001. In het hoger beroepschrift stelt appellant: “(...) stelt bij deze beroep in tegen bijgaande uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht gegeven inzake [gedaagde 1] (...) als eiseres, en het Lisv als verweerder”. Gelet op de duidelijke bewoordingen van het beroepschrift kan op grond van het feit, dat in de bijgesloten uitspraak tevens uitspraak wordt gedaan in de zaak van gedaagde 2, niet geconcludeerd worden dat appellant tevens tegen die uitspraak hoger beroep heeft ingesteld. De in de aanhef van appellants hoger beroepschrift vermelde registratienummers kunnen naar het oordeel van de Raad evenmin afdoen aan de, niet voor tweeërlei uitleg vatbare, bewoordingen van het hoger beroepschrift.

Naar het oordeel van de Raad betekent genoemde bepaling dat, wil een hoger beroep binnen de beroepstermijn zijn ingesteld, voor het verstrijken van de termijn duidelijk moet zijn tegen welke uitspraak het beroep zich richt. Nu appellant in dit geding pas bij aanvullend beroepschrift van 3 januari 2002 heeft gesteld dat het hoger beroep zich mede richt tegen de uitspraak inzake gedaagde 2, is naar het oordeel van de Raad het hoger beroep tegen die uitspraak te laat ingediend. In het door appellant gestelde ziet de Raad geen aanleiding deze overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten. De Raad zal derhalve het hoger beroep van appellant, voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak 1 gewezen jegens gedaagde 2 niet-ontvankelijk verklaren.

Met betrekking tot het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak 1, gegeven inzake gedaagde 1, en het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2, overweegt de Raad als volgt.

Appellant heeft ten laste van gedaagde 1 over de jaren 1992 tot en met 1994 aanvullende premies geheven ter zake van betalingen aan de tot 1 september 1994 voor gedaagde 1 werkzame consulenten (hierna: consulenten A). Appellant stelt zich op het standpunt dat de betreffende consulenten A werkzaam zijn in een dienstbetrekking in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d van de sociale werknemersverzekeringswetten. Daarbij wijst appellant er op dat zijn besluit van 4 september 1995, waarbij ten aanzien van één van de bedoelde consulenten A, [naam consulent A], verzekeringsplicht werd aangenomen, in hoger beroep stand gehouden heeft bij uitspraak van deze Raad van 29 oktober 1998.

Voorts heeft appellant ten laste van gedaagde 1 over het jaar 1994 en -v oor zover met in achtneming van het hiervoor overwogene in hoger beroep nog relevant - ten laste van gedaagde 2 over het jaar 1996 aanvullende premies geheven ter zake van betalingen aan de sedert 1 september 1994 voor gedaagden werkzame consulenten (hierna: consulenten B). Appellant stelt zich op het standpunt dat de betreffende consulenten B verplicht verzekerd zijn ingevolge artikel 3, dan wel artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, dan wel artikel 5, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten. Daarbij baseert appellant zich op tussen de desbetreffende consulenten en gedaagde 2 gesloten (uniforme) maatschapcontracten. Appellant heeft voorts in de maand september 1997 vijf (ex-)consulenten B bezocht teneinde eventuele afwijkingen ten opzichte van het maatschapcontract vast te stellen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken geoordeeld dat appellant onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat de besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid. Daarbij heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat appellant niet heeft onderzocht om hoeveel consulenten het gaat, wie die consulenten zijn, en of het een constant, dan wel wisselend aantal consulenten betreft. Evenmin heeft appellant onderzocht of de consulenten zich al dan niet door anderen hebben laten bijstaan bij hun werkzaamheden en zo ja, of in hoeverre dit voor alle consulenten geldt. Voorts heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gestelde gezagsverhouding onvoldoende onderzoek naar de feitelijke situatie verricht, door zich vrijwel uitsluitend te baseren op een aantal bepalingen uit het maatschapcontract en een tweetal looncontroles. Ten aanzien van de gestelde verzekeringsplicht van consulenten B heeft de rechtbank vastgesteld dat gedaagde 1 geen maatschapcontracten met de consulenten B is aangegaan. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep betwist.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Appellant heeft ter zitting in hoger beroep opheldering verschaft over de wijze waarop de volgens appellant verschuldigde premies zijn vastgesteld. Appellant is van een beperkt bestand van consulenten A uitgegaan. In de jaren 1992 en 1993 is uitgegaan van maximaal twee consulenten A en in 1994 is uitgegaan van één consulent A. Betreffende de consulenten B is appellant uitgegaan van twee consulenten B in 1994 (in dienst van gedaagde 1) en 31 consulenten B in 1996 (in dienst van gedaagde 2). Gedaagde 2 heeft het aantal van 31 ter zitting weersproken met de stelling dat zij weliswaar in 31 regio’s door consulenten wordt vertegenwoordigd, doch nimmer door meer dan 13 consulenten.

Appellant heeft de premies ten laste van gedaagde 1, voor zover het de consulenten A over 1992 tot en met 1994 betreft, en de premies ten laste van gedaagde 2, voor zover het de consulenten B over 1996 betreft, ter voorkoming van verjaring geschat onder vermelding dat het daadwerkelijk verschuldigde bedrag nog dient te worden vastgesteld. Zoals ter zitting in hoger beroep is gebleken heeft appellant tot op heden de daadwerkelijk verschuldigde premie niet vastgesteld.

De Raad stelt voorop dat ten aanzien van de vaststelling van verzekeringsplicht en verschuldigde premie het uitgangspunt dient te gelden dat deze vaststelling op nominatief niveau dient te geschieden. Dit uitgangspunt mag onder omstandigheden worden verlaten als het bijvoorbeeld gaat om de vaststelling van verzekeringsplicht van een omvangrijke groep personen van wie vast staat dat deze personen onder vrijwel identieke omstandigheden en op gelijke voorwaarden werkzaam zijn. Van nominatieve premievaststelling kan bijvoorbeeld worden afgezien indien zulks onder omstandigheden niet (meer) mogelijk is.

Nu appellant ten aanzien van gedaagde 1 is uitgegaan van een zeer beperkt aantal consulenten A, en voorts gesteld noch uit de gedingstukken gebleken is dat nominatieve vaststelling niet mogelijk is, ziet de Raad in het onderhavige geval geen aanleiding het hiervoor geformuleerde uitgangspunt te verlaten. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad ten onrechte onduidelijkheid laten bestaan omtrent de door de rechtbank geformuleerde zorgvuldigheidsgebreken. Zulks dient naar het oordeel van de Raad eveneens te gelden ten aanzien van de consulenten B, nu ter zitting is gebleken dat ook deze groep beperkt van omvang is. In verband met de consulenten B overweegt de Raad voorts nog dat gedaagde 2 gemotiveerd heeft aangegeven dat geen sprake is van een homogene groep, zodat appellant te meer aanleiding had moeten zien onderzoek te doen naar de individuele feiten en omstandigheden waaronder de betreffende consulenten werkzaam zijn.

De hiervoor geconstateerde onzorgvuldigheid werkt ook door in de premieheffing, aangezien appellant het merendeel van de verschuldigde premies, bij gebreke van exacte gegevens, heeft moeten baseren op geschatte premielonen ter voorkoming van verjaring. Appellant heeft gesteld het oordeel van de Raad omtrent de gestelde verzekeringsplicht af te wachten alvorens de exacte premielonen te zullen berekenen. Voorts heeft appellant gesteld dat de daadwerkelijk verschuldigde premie over 1996 niet tijdig kon worden vastgesteld omdat de directeur van gedaagden niet bereikbaar bleek. De Raad kan billijken dat appellant ter voorkoming van verjaring op basis van een schatting de verschuldigde premies vaststelt. Zulks ontslaat appellant evenwel niet van de hiervoor aangegeven gehoudenheid om op nominatief niveau premies vast te stellen. Naar het oordeel van de Raad valt niet in te zien waarom appellant hangende de bezwaarschriftprocedure niet alsnog de exacte premiebedragen kon vaststellen, met name gezien de dienaangaande zijdens gedaagden aangevoerde bezwaren en met het oog op concentratie van procedures, alsmede ter voorkoming van de thans ontstane impasse zoals ter zitting in hoger beroep gebleken, ten gevolge waarvan appellant zich ook in volgende jaren genoodzaakt zag tot schatting over te gaan.

Appellant heeft ter zitting benadrukt dat de premieheffing ter zake van de werkzaamheden van [consulent A] in elk geval stand dient te houden, aangezien diens verzekeringsplicht in rechte vast staat. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat de desbetreffende premies zijn begrepen in de premienota over 1992. De desbetreffende premies zijn echter niet afzonderlijk vastgesteld, zodat de Raad reeds om die reden appellant niet volgt in het ter zitting gestelde.

De premievaststelling betreffende de twee consulenten B in gesteld dienstverband tot gedaagde 1 in de laatste 4 maanden van 1994 is wel gebaseerd op concreet verloonde bedragen. Deze premiecorrectie komt naar het oordeel van de Raad niettemin reeds voor vernietiging in aanmerking, zulks wegens het door de rechtbank reeds - naar het oordeel van de Raad terecht - gesignaleerde motiveringsgebrek. Ook de Raad is van oordeel dat, nu appellants oordeel omtrent de verzekeringsplicht van de consulenten B met name steunt op de door gedaagde 2 gesloten maatschapcontracten, niet gesproken kan worden van deugdelijke motivering met betrekking tot de arbeidsverhouding van de consulenten B met gedaagde 1.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de hoger beroepen van appellant, voor zover betrekking hebbende op de aangevallen uitspraak 1, gewezen jegens gedaagde 1, en de aangevallen uitspraak 2, niet kunnen slagen, zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep. Deze kosten worden voor de beide gedaagden afzonderlijk begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant tweemaal een recht van € 409,-- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep, voor zover gericht tegen de aangevallen uitspraak 1 gewezen jegens gedaagde 2 niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor het overige;
Bevestigt de aangevallen uitspraak 2;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde 1 in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde 2 in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van appellant een recht van € 818,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H.C. Cusell en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x