Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR4416
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen correctienota's omdat het bezwaar prematuur is. Dictum van de uitspraak van de rechtbank.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/6426 ALGEM en 04/3421 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. ing. R.N. Huyzer, werkzaam als belastingadviseur bij Kantoor van den Boomen te Waalre, op bij aanvullend beroepschrift van 19 februari 2002 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder dagtekening 7 november 2001, kenmerk 00/6737, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Gedaagde heeft op 14 mei 2002 een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 23 juni 2004 (met bijlagen) heeft gedaagde desgevraagd nadere informatie ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 september 2004, waar voor appellant zijn verschenen mr. W.H. Grant, werkzaam als belastingadviseur bij voornoemd Kantoor van den Boomen, als zijn gemachtigde, en F.J.C.J. Trienekens, werkzaam bij het Adviesbureau Trienenkens B.V. te Budel, en voor gedaagde is verschenen A.W.G. Determan, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat nu gedaagde op 23 juni 2004 heeft besloten het bezwaar tegen de correctienota over het jaar 1990 gegrond te verklaren en de correctienota over het jaar 1990 daarbij te laten vervallen, appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de correctienota over het jaar 1990. Het hoger beroep dient dan ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad voor zijn oordeelsvorming met vermelding van het volgende.

Appellant voerde in de jaren hier in geding een eenmanszaak ter exploitatie van een varkensmesterij, een akkerbouwbedrijf en een tuinbouwbedrijf. In het tuinbouwbedrijf werden augurken, komkommers en asperges geteeld. Om seizoenpieken op te vangen heeft appellant gebruik gemaakt van gelegenheidswerkers voor het steken van asperges en het plukken van augurken.

In 1996 is bij appellant een looncontrole gehouden over de jaren 1991 tot en met 1995. Van deze controle is op 3 december 1996 rapport opgemaakt. De hierbij betrokken looninspecteur heeft in dit rapport op basis van de aanwezige documenten, getuigenverklaringen van vele vakantiewerkers en / of ouders van deze vakantiewerkers en gelegenheidswerkers, en eigen onderzoeksbevindingen, geconstateerd dat zowel de bedragen op de door appellant overgelegde kwitanties als de periodes waarop deze kwitanties betrekking hebben nagenoeg niet kloppen, dat een kladadministratie ontbreekt en dat er ook geen administratie is bijgehouden of bewaard van de door de stekers en plukkers geleverde prestaties in uren en kilo’s. Vervolgens heeft de looninspecteur per (ex)werknemer van appellant een schatting gemaakt van de daadwerkelijk door hen ontvangen lonen. Een en ander heeft geresulteerd in een correctie- en boetenota van 19 december 1996 over het jaar 1991.
Bij brief van 3 januari 1997 deelt appellant mee bezwaar te hebben tegen het doorvoeren van premiecorrecties voortvloeiende uit de gehouden looncontrole.
Op 13 december 1997 worden de correctie- en boetenota’s over de jaren 1992, 1993 en 1995 opgelegd.
Bij zijn besluit van 9 augustus 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de tegen de - in hoger beroep nog in geding zijnde - correctienota’s over de jaren 1991 tot en met 1993 en 1995 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep nog van belang - het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard voor zover het zich richt tegen de correctienota’s over 1992, 1993 en 1995 en tegen de boetenota’s over 1991, 1992, 1993 en 1995, en voor het overige het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder:

"De premienota’s over 1992, 1993 en 1995 heeft verweerder pas opgelegd in december 1997, dus geruime tijd na eisers brief van 3 januari 1997. Deze brief kan dan ook voor zover het de premievaststelling over 1992 en latere jaren betreft, niet gericht zijn op een al genomen besluit. De brief kan alleen als bezwaarschrift worden aangemerkt als het een prematuur bezwaarschrift zou zijn in de zin van artikel 6:10, van de Awb. Ter zitting heeft verweerder ook verklaard dat hij voornoemde brief als zodanig heeft opgevat. Aan de orde is derhalve de vraag of de rechtbank dit standpunt kan onderschrijven.
Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:
a. wel reeds tot stand was gekomen, of
b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
In casu is slechts geval b. aan de orde. Eiser verwijst in zijn brief van 3 januari 1997 naar het gehouden boekenonderzoek. Uit de rapportage daarvan in het Looncontrolerapport van 3 december 1996 kon eiser naar het oordeel van de rechtbank niet redelijkerwijs afleiden dat verweerder reeds een besluit had genomen over de correctienota’s van 1992, 1993 en 1995. Het Looncontrolerapport had een adviserend karakter en hield nadrukkelijk een slag om de arm, getuige de zinsnedes “stellen wij de volgende correctie voor, e.e.a. onder voorbehoud van het resultaat uit een nog nader in te stellen onderzoek” en “onder voorbehoud van het resultaat van het nog nader in te stellen onderzoek, dient ondernemer rekening te houden met het opleggen van een boete van 100%”.
Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in oktober 1997, dus geruime tijd na eisers brief van 3 januari 1997. Pas na dit onderzoek is verweerder overgegaan tot besluitvorming, resulterend in de betreffende premienota’s van december 1997.
Eiser kon dan ook naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet menen dat het besluit ten tijde van de advisering van de looninspecteur al tot stand was gekomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte eisers brief van 3 januari 1997 heeft aangemerkt als een prematuur bezwaarschrift in de zin van artikel 6:10 van de Awb tegen de correctienota’s van 1992, 1993 en 1995. Daaraan doet niet af dat partijen zelf de afspraak hadden gemaakt de bezwaarschriften als prematuur op te vatten, aangezien de ontvankelijkheid in bezwaar of beroep een aangelegenheid van openbare orde is, waarover de rechtbank zich ambtshalve dient uit te spreken.
De brief van 3 januari 1997 kan ook niet worden beschouwd als een bezwaarschrift tegen de boetenota’s over de jaren 1991, 1992, 1993 en 1995.
In voornoemde brief maakt eiser uitsluitend bezwaar tegen het “doorvoeren van premiecorrecties”. Ook overigens is de rechtbank uit de gedingstukken niet gebleken dat eiser een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de boetenota’s.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen de correctienota’s over 1992, 1993 en 1995 en tegen de boetenota’s over 1991, 1992, 1993 en 1995. Deze nota’s zijn dan ook naar het oordeel van de rechtbank rechtens onaantastbaar geworden.
Hieruit vloeit voort dat de rechtbank eisers beroep tegen het bestreden besluit, voor zover het de correctienota’s over 1992, 1993 en 1995 en de boetenota’s over 1991, 1992, 1993 en 1995 betreft, niet-ontvankelijk zal verklaren."

De Raad volgt de rechtbank hierin, zij het dat de rechtbank hierbij niet heeft onderkend dat door te oordelen dat gedaagde ten onrechte de brief van appellant van 3 januari 1997 als prematuur bezwaarschrift in de zin van artikel 6:10 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt tegen de correctienota’s over de jaren 1992, 1993 en 1995 zij het bestreden besluit in zoverre tevens had moeten vernietigen en appellant alsnog niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn bezwaar tegen de hierboven genoemde correctienota’s.

De Raad stelt op basis van het voorgaande vast dat in hoger beroep daarmee uitsluitend nog in geding is de vraag of gedaagde terecht en op goede gronden de correctienota over het jaar 1991 heeft opgelegd.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de op deze vraag betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.

De Raad is niet gebleken dat gedaagde onzorgvuldig te werk is gegaan bij de vaststelling van de verschuldigde doch niet afgedragen premiebedragen, welke bij gebreke van een deugdelijke loonadministratie niet anders dan schattenderwijs en bij benadering kunnen worden vastgesteld. Gedaagde heeft de schatting gebaseerd op de in de administratie wel verantwoorde omzet en de uit getuigenverklaringen verkregen gegevens betreffende de personele bezetting van de plukkers en stekers. Appellant heeft de schatting als niet reëel bestempeld en met name gesteld dat een deel van de verklaringen niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Echter ook in hoger beroep heeft hij geen enkel verifieerbaar gegeven aangedragen waaruit de gestelde onjuistheid van de ambtshalve vaststelling door gedaagde blijkt.

De Raad merkt ter zake van de gestelde deelname van familieleden aan het behalen van de omzet nog op dat om voor een premievrijstelling van familieleden in aanmerking te komen volgens de toenmalige Aspergeregeling onder meer was vereist dat de werkgever vooraf bij de toenmalige bedrijfsvereniging melding maakte van de te verwachte deelname van familieleden bij het arbeidsproces. Ter zitting is namens appellant evenwel verklaard dat hij niet van deze regeling op de hoogte was zodat ook nimmer familieleden hiervoor zijn aangemeld.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat, voorzover de schatting heeft geleid tot een te hoog bedrag aan alsnog verschuldigde premies, zulks voor risico van appellant komt omdat hij geen deugdelijke administratie heeft gevoerd.

De conclusie uit het vorenstaande is dat het bestreden besluit voor wat de correctienota’s over de jaren 1992, 1993 en 1995 betreft niet in stand kan blijven. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak gedeeltelijk dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beide instanties. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de correctienota over het jaar 1990;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het bestreden besluit voor wat betreft de correctienota’s over de jaren 1992, 1993 en 1995 in stand is gelaten;
Vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Verklaart appellant alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaar gericht tegen de correctienota’s over de jaren 1992, 1993 en 1995;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. de Gooijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x