Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR4532
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Een directeur-aandeelhouder van een BV zonder doorslaggevende invloed op de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren is werkzaam in een gezagsrelatie tot de BV.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/926 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft haar middellijk aandeelhouder [naam aandeelhouder appellante] (hierna: [aandeelhouder appellante]) op bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van de Raad op 28 februari 2003, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 17 januari 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, kenmerk 02/1278, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 september 2004, waar voor appellante is verschenen drs. Van der Spek, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante drijft sedert haar oprichting per 26 maart 1998 een groothandel in voedingsmiddelen en dranken. [B.V. 1]., waarvan [aandeelhouder appellante] enig aandeelhouder is, en [B.V. 2], waarvan [aandeelhouder B.V. 2] enig aandeelhouder is, hadden bij de oprichting beide 20 aandelen (50%) van appellante in handen. Op 19 juni 1998 zijn ter versterking van het eigen vermogen 10 extra aandelen geplaatst, die in eigendom zijn verkregen door [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Op 22 november 2000 hebben [B.V. 2] en [B.V. 1]. elk drie van hun aandelen geleverd aan [B.V. 3], waarvan [naam aandeelhouder B.V. 3] (hierna: [aandeelhouders 3]) enig aandeelhouder is. De directie van appellante wordt ten tijde van belang mede gevoerd door de persoonlijke B.V. van aandeelhouder B.V. 3, in de persoon van aandeelhouder B.V. 3. Vr 22 november 2000 was aandeelhouder B.V. 3, onbetwist, in dienst van appellante werkzaam. Op 9 april 2002 heeft nog een aandelenoverdracht plaatsgevonden, als gevolg waarvan per die datum de aandelenverdeling er als volgt uit is gaan zien:
- [B.V. 1]. houdt 14 aandelen (28%);
- [B.V. 2] houdt 13 aandelen (26%);
- [B.V. 3] houdt 13 aandelen (26%);
- [betrokkene] houdt 10 aandelen (20%).

Op 15 juni 2000 hebben [B.V. 2], [B.V. 1]. en [B.V. 3] een intentieverklaring opgesteld, die onder meer inhoudt dat partijen op korte termijn zullen komen tot een situatie waarin elk der partijen nagenoeg hetzelfde aantal aandelen en nagenoeg hetzelfde stemrecht in appellante zouden hebben.

Op 21 februari 2001 hebben deze partijen optiecontracten, welke aan [B.V. 3] het recht gaven om van [B.V. 2] en van [B.V. 1]. elk 3 aandelen in het kapitaal van appellante te verwerven, en een stemovereenkomst gesloten.

Bij besluit van 16 januari 2002 heeft gedaagde, voorzover hier van belang, beslist dat aandeelhouder B.V. 3 met ingang van 22 november 2000 onveranderd verzekeringsplichtig is.

Bij besluit van 22 april 2002 (verder te noemen: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 januari 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is voldaan aan de vereisten voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Er is sprake van een gezagsverhouding, omdat aandeelhouder B.V. 3 van 22 november 2000 tot 9 april 2002 middellijk 12% van de aandelen in appellante had, en vanaf 9 april 2002 26%, zodat hij geen overwegende invloed in de algemene vergadering van aandeelhouders kan uitoefenen. De stemovereenkomst en de intentieverklaring staan aan het bestaan van een gezagsverhouding niet in de weg, omdat deze de stemverhouding in de algemene vergadering van aandeelhouders niet wijzigen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat geen sprake is van een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, Stcrt. 1997, 248 (hierna te noemen: de Regeling), aangezien ook [betrokkene] meetelt bij de stemverhouding, ongeacht het feit dat hij geen bestuurder is.

Appellante heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat de stemovereenkomst, de optieovereenkomsten en de intentieverklaring voldoende bijzondere omstandigheden vormen op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat van gezag gesproken kan worden. Subsidiair heeft appellante gesteld dat aandeelhouder B.V. 3 directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling, aangezien er sprake is van een nagenoeg gelijk aantal stemmen. Bij de vaststelling hiervan moeten de aandelen van [betrokkene] volgens haar niet worden meegenomen, omdat hij geen bestuurder is. Meer subsidiair heeft appellante gesteld dat aandeelhouder B.V. 3 ingaande 25 februari 2003 niet langer verplicht verzekerd is voor de werknemersverzekeringen.

De Raad overweegt als volgt.

Indien een directeur/aandeelhouder van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren moet, volgens vaste rechtspraak van de Raad, in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.

Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/grootaandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad van oordeel dat er in het onderhavige geval onvoldoende bijzondere omstandigheden bestaan voor het aanwezig achten van een zodanige uitzonderingssituatie.

In dit verband overweegt de Raad in de eerste plaats, dat de afspraken en betrekkingen tussen de verschillende belanghebbenden, zoals deze hiervoor zijn weergegeven, niet behoefden uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheidene belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn dan in de door belanghebbenden beoogde of verwachte situatie, aandeelhouder B.V. 3 zou worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening van de zijde van de algemene aandeelhoudersvergadering.

Voorts stelt de Raad vast dat uit de Regeling volgt dat voor de toepassing daarvan de verdeling van het aandelenbezit onder de aandeelhouders en niet de verdeling van het aandelenbezit onder de bestuurders bezien moet worden. De Regeling sluit aan bij de Richtlijnen beoordeling verzekeringsplicht van directeuren van de Federatie van Bedrijfsverenigingen, nummer 93.07 van 16 juli 1993, welke blijkens de toelichting bij Richtlijn 3 hebben beoogd alle aandeelhouders bij de aandelenverhouding volgens genoemd artikel te betrekken, en niet alleen de aandeelhouders die ook bestuurder zijn.

De Raad laat in het midden of aandeelhouder B.V. 3 per 25 februari 2003 verplicht verzekerd is, omdat hij hiermee zou treden buiten de door het bestreden besluit getrokken grens van het voorliggende geschil, waar deze vraag ziet op een na het bestreden besluit opgekomen wijziging in de feitelijke situatie.

Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en door mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x