Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR4912
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht als verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen aangemerkt omdat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/938 ALGEM en 03/944 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellanten heeft mr. W.T. Cornelissen, belastingadviseur, werkzaam bij Verstegen Van der Hoek en Lengton Accountants en Belastingadviseurs te Dordrecht, op bij aanvullend beroepschrift van 9 mei 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 22 november 2002 (nrs. AWB 02/57 en AWB 02/73).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 september 2004, waar appellanten zijn verschenen bij mr. Cornelissen en J. den Boer, administrateur van appellant, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.W. Rensema, werkzaam bij het Uwv te Amsterdam.




II. MOTIVERING


Bij besluit op bezwaar van 11 december 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 24 april 2001 waarbij gedaagde appellant (hierna: betrokkene) ingaande 14 juli 1999 als verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen heeft aangemerkt omdat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

In geding is de vraag of betrokkene ten tijde in geding in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante heeft gestaan.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten een gezagsverhouding, de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en de verplichting tot loonbetaling.

Of aan die voorwaarden is voldaan wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, in samenhang bezien.

Voor de in deze zaak van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat betrokkene werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante.

De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid en merkt met betrekking tot hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd nog het volgende op. Ook ter zitting van de Raad is naar voren gekomen dat appellante de eindverantwoordelijkheid behield voor de uitvoering van werkzaamheden waarbij betrokkene werd ingeschakeld. Als overleg met de opdrachtgevers noodzakelijk was in verband met klachten of vervolgopdrachten, liep dat via appellante en niet rechtstreeks langs betrokkene. Ook storingen werden via appellante naar betrokkene doorgeleid. Betrokkene verrichtte zijn werkzaamheden in het kader van de afspraken die appellante met de opdrachtgevers maakte over alle aspecten van de uitvoering van de opdracht. Dat impliceert naar het oordeel van de Raad dat appellante gezag over betrokkene kon uitoefenen in die zin dat zij hem instructies en aanwijzingen met betrekking tot het te verrichten werk kon geven waaraan hij zich te houden had als hij eenmaal de opdracht van appellante had aanvaard.

Daaraan kan niet afdoen dat, zoals appellanten hebben aangevoerd, de eenmanszaak van de echtgenote van betrokkene in 1996 in Duitsland is geconfronteerd met een boete wegens ongeoorloofde uitlening van onder meer betrokkene, ook reeds omdat dit incident heeft plaatsgevonden geruime tijd voor de periode hier in geding, terwijl bovendien niet duidelijk is onder welke voorwaarden betrokkene toen werkzaam was.

De Raad acht het voorts onaannemelijk dat betrokkene zich, als hij eenmaal een opdracht van appellante had aanvaard, door een willekeurige derde zou kunnen laten vervangen. Appellanten betwisten niet dat betrokkene zich niet zonder overleg mocht laten vervangen, en dan nog slechts door iemand met dezelfde kennis en deskundigheid als betrokkene. Het ging daarbij om verplicht overleg vooraf, en daarmee is de vrijheid van betrokkene om vervanging te regelen zodanig beperkt dat dit overleg naar het oordeel van de Raad in feite gelijk is te stellen met het vragen van toestemming. Overigens is dit slechts een enkele keer voorgekomen en betrokkene heeft ook toen eerst overleg gehad met appellante alvorens een ander bedrijf in te schakelen.

De stelling van appellanten dat betrokkene werkzaam is als zelfstandige en op die grond niet verzekeringsplichtig is te achten, gaat niet op. In het geval van betrokkene was hij in de arbeidsrelatie met appellante werkzaam in een privaatrechtelijke dienstbetrekking en op die grond verplicht verzekerd. Dit staat los van de werkzaamheden die hij daarnaast als zelfstandige verrichtte.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x