Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR4944
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking van een directeur-aandeelhouder. Er is geen sprake van een uitzonderingssituatie.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/4756 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is, drs. M.A.J. Verhoeven Fb., belastingadviseur te Helmond, op bij aanvullend beroepschrift van 29 oktober 2002 aangegeven gronden, bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder dagtekening 17 juli 2002 tussen partijen gewezen uitspraak waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij brief van 28 november 2002 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 september 2004, waar appellante, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door L.E. Willemen en mr. C.J.M. Kluytmans, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij de beoordeling van dit geding uit van de feiten en de omstandigheden zoals die reeds in de aangevallen uitspraak van de rechtbank voldoende zijn aangegeven.

De centrale vraag waarover het antwoord partijen verdeeld blijft houden, is of directeur/aandeelhouder E. [naam directeur/aandeelhouder] (hierna: [naam directeur/aandeelhouder]), die middels zijn persoonlijke vennootschap [persoonlijke vennootschap] 40% van de aandelen in de holding van appellante bezit, in relatie tot de grotere aandeelhouder en mededirecteur C.J.M. de [mededirecteur] (hierna: De [mededirecteur]) die met zijn persoonlijke vennootschap [persoonlijke vennootschap] 60% van de aandelen in de holding van appellante bezit, in een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten bij appellante werkzaam is geweest en aldus verplicht verzekerd was ingevolge voornoemde wetten

Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank die vraag in bevestigende zin beantwoord.

In hoger beroep is namens appellante - kort samengevat - betoogd dat [naam directeur/aandeelhouder] een zodanige positie inneemt in appellante op grond waarvan hij niet tegen zijn wil kan worden ontslagen. In dit verband wordt van de zijde van appellante gewezen op de tussen De [mededirecteur] en [naam directeur/aandeelhouder] gesloten stemovereenkomst d.d. 24 september 1999 inhoudende dat alle besluiten over alle onderwerpen betreffende [holdingmaatschappij] door haar aandeelhouders met algemene stemmen (unaniem) dienen te worden genomen. Bij staking van de stemmen, zal (bindend) advies worden ingewonnen van een door hen te benoemen deskundige, welk advies door beiden dient te worden opgevold. Op niet-naleving van deze bepalingen in de stemovereenkomst is een boete gesteld van f 100.000,--, zulks onverminderd het recht op vergoeding van schade. Met deze stemovereenkomst geven De [mededirecteur] en [naam directeur/aandeelhouder] aan dat zij elkaar als gelijke zien en als zodanig wensen beslissingen te willen nemen. Gelet op de in deze stemovereenkomst opgenomen boete en eventuele schadeplichtigheid, is overtreding van deze overeenkomst niet realistisch. Bovendien hebben De [mededirecteur] en [naam directeur/aandeelhouder] van meet af aan gezamenlijk ondernemerschap beoogd; ze zijn beiden bij alle beleidsbeslissingen betrokken en zijn zelfstandig bevoegd tot handelen. Voorts hebben zij financieel fors geďnvesteerd in de overname van het bedrijf en lopen zij in privé financieel risico. Beiden vormen zowel intern als extern het gezicht van het bedrijf.

De Raad overweegt het volgende.

Indien, zoals in het onderhavige geval, een directeur/aandeelhouder van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren, moet in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot een vennootschap als die van appellante.
Ofschoon niet valt uit te sluiten dat sprake kan zijn van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/grootaandeelhouder die geen doorslaggevende invloed heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad in het licht van zijn vaste jurisprudentie van oordeel dat er in het onderhavige geval, onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten.

De Raad markeert daarbij, dat zijns inziens dient te prevaleren dat in vennootschapsrechtelijke zin de statutaire bepalingen te dezen niet behoefden uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheidene belangen minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn dan in de door belanghebbenden beoogde of verwachte situaties, [naam directeur/aandeelhouder] zou kunnen worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening in de algemene vergadering, welke immers opereert op basis van besluitvorming van volstrekte meerderheid van stemmen, ook in conflictsituaties met als uiterst gevolg zelfs het niet tegen te houden ontslag van de minderheidsaandeelhouder.

Evenals de rechtbank acht ook de Raad de tot stand gekomen stemovereenkomst niet van doorslaggevende betekenis om tot een ander oordeel te komen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, laat een stemovereenkomst onverlet dat een aandeelhouder zijn stem rechtsgeldig kan uitbrengen in afwijking van een dergelijke overeenkomst. Hetgeen namens appellante is aangevoerd namelijk dat het in afwijking stemmen van de overeenkomst geen realistische situatie is mede gelet op de boete en de eventuele daaruit voortvloeiende schadeplichtigheid indien in afwijking van de overeenkomst wordt gehandeld, kan op zichzelf aan de vennootschapsrechtelijke rechtsgeldigheid niet afdoen.
Voorts heeft de Raad hierbij in aanmerking genomen de op 10 februari 1999 bestaande ongelijke aandelenverhouding, de eerst in september 1999 - wegens voortschrijdend inzicht - tot stand gekomen stemovereenkomst alsmede de effectieve overdacht van 10% van de aandelen naar [persoonlijke vennootschap] op 19 januari 2001 als gevolg van het ongewijzigde standpunt van gedaagde naar aanleiding van de stemovereenkomst. Deze omstandigheden in onderling verband beziend alsmede in relatie tot ’s Raads jurisprudentie omtrent deze kwesties, is de Raad van oordeel dat [naam directeur/aandeelhouder] gelet op zijn aandelenbezit geconfronteerd zou kunnen worden met enige vorm van gezagsuitoefening van de zijde van de aandeelhoudersvergadering. De omstandigheid dat een dergelijke situatie zich niet licht zal voordoen, is in het licht van het vorenstaande onvoldoende om een andersluidend standpunt in te nemen. Zulks betekent immers niet dat die situatie zich niet zou kunnen voordoen.

Gelet op deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat er eerst op 19 januari 2001 er een gelijk aandelenbezit was en er geen sprake meer kon zijn van gezagsuitoefening door de algemene vergadering van aandeelhouders.

Hetgeen appellante overigens doet aanvoeren vermag ook niet de zienswijze van appellante te schragen dat er te dezen ten tijde in geding metterdaad sprake is geweest van gezamenlijk ondernemerschap.

Volledigheidshalve tekent de Raad in dit verband nog aan dat hij ook verder geen grond heeft kunnen vinden om in casu het bestaan van - de vereiste elementen voor - een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [naam directeur/aandeelhouder] in twijfel te trekken.

Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x