Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR5311
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht als verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen aangemerkt omdat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking? Is er sprake van een gezagsverhouding?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4932 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is mr. G.J.M. Peters, werkzaam bij Crop belastingadviseurs te Ede, op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Arnhem op 14 augustus 2002 tussen partijen gewezen uitspraak met kenmerk 01/1305, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 september 2004, waar namens appellante is verschenen haar statutair directeur G.W. van Veldhuizen en hoofd bedrijfsbureau B.A.J. Bouwman, bijgestaan door mr. Peters voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R. Hofland, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een carrosserie- en spuitbedrijf. In periodes waarin het werk aanbod de capaciteit overschrijdt doet appellante een beroep op [betrokkene] om werkzaamheden voor haar te verrichten in de spuiterij.

Naar aanleiding van een bij appellante gehouden looncontrole alsmede een daaropvolgend nader onderzoek heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene] voor appellante in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam is geweest.

In hoger beroep staat, evenals bij de gedingvoering in eerste aanleg, centraal of [betrokkene] in dienstbetrekking is geweest bij appellante.

De Raad overweegt als volgt.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten de verplichting van de werknemer tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting van de werkgever tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer.

Omtrent de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de loonbetalingsverplichting bestaat tussen partijen geen verschil van mening (meer); deze voorwaarden laat de Raad derhalve verder buiten bespreking.

Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat [betrokkene] een voormalig werknemer is van appellante en dat zijn werkzaamheden van groot belang waren voor de bedrijfsvoering van appellante. [betrokkene] verrichtte de werkzaamheden in de bedrijfsruimte van appellante en nagenoeg altijd gedurende de gangbare werk- en rusttijden. Op de werkzaamheden van [betrokkene] werd door appellante een eindcontrole gehouden, en appellante was naar haar klanten toe verantwoordelijk voor de kwaliteit van het eindproduct. Dit alles maakt het, naar het oordeel van de Raad, niet aannemelijk dat appellante geen aanwijzingen aan [betrokkene] kon geven. Dat de werkzaamheden met een grote mate van zelfstandigheid werden verricht en dat [betrokkene] bij onvoldoende resultaat de werkzaamheden in eigen tijd moest overdoen, doet daaraan niet af. Hieruit volgt naar het oordeel van de Raad dat er in de onderhavige arbeidsrelatie sprake was van een gezagsverhouding.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde op juiste gronden heeft besloten dat [betrokkene] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was.

Ten aanzien van het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel merkt de Raad op dat dit eerst aan de orde kan komen bij de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde premie. Verzekeringsplicht ontstaat van rechtswege en gedaagde komt dienaangaande geen beleidsvrijheid toe.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitsproken in het openbaar op 21 oktober 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x