Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR5558
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Betrokkene is met de kern van zijn werkzaamheden gebleven binnen de aan hem door het betrokken bedrijf verstrekte opdracht, welke in essentie neerkwam op het opzetten van een personeelsafdeling.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5405 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. W.C. Bothof, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 19 september 2002 tussen partijen gewezen uitspraak met reg.nr. 02/40, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2004, waar voor appellante zijn verschenen H.D. Sinke, administrateur, B.J. Mol, belastingadviseur, en - daartoe ambthalve opgeroepen - mr. Bothof, voornoemd, terwijl gedaagde - daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.T. van Arnhem, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante beheert verschillende werkmaatschappijen die speelautomaten, voetbalspelen, audioapparatuur en biljarts op de markt brengen. Omdat bij appellante de behoefte bestond om voor alle werkmaatschappijen één centrale personeelsafdeling op te richten, en de deskundigheid hiervoor binnen appellante ontbrak, heeft zij begin 1999 [betrokkene] ingehuurd met de opdracht om structuur te geven aan de personeels- en organisatievraagstukken binnen de organisatie van appellante. [betrokkene] staat onder de naam [bedrijf betrokkene] sedert 1 oktober 1997 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zeeland ingeschreven met als bedrijfsomschrijving: advisering op het gebied van personeels-, organisatie- en kwaliteitsbeleid. De werkzaamheden die [betrokkene], blijkens de door hem uitgebrachte facturen, voor appellante heeft verricht zijn onder meer het concipiëren van modelcontracten en diverse standaardformulieren, het opzetten van een personeelsregistratiesysteem, het maken van een algemene arbeidsvoorwaardenregeling, het opstellen en plaatsen van personeelsadvertenties, en het voeren van sollicitatiegesprekken in het kader van een voorselectie.

Gedaagde heeft op basis van een op 22 januari 2001 uitgevoerde looncontrole geconcludeerd dat tussen appellante en [betrokkene] sprake was van een arbeidsverhouding die is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat sprake is van een verzekeringsplicht op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten. De alsnog over het jaar 1999 verschuldigde premies heeft gedaagde neergelegd in een correctienota die bij besluit van 18 december 2001 is gehandhaafd. Tevens heeft gedaagde over het jaar 1999 een boetenota opgelegd die eveneens bij besluit van 18 december 2001 is gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 december 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet zijn voldaan aan drie voorwaarden te weten de verplichting van de werknemer tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting van de werkgever tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer.

De Raad komt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie dat aan de laatste voorwaarde, te weten de gezagsverhouding, niet wordt voldaan.
Daartoe stelt de Raad allereerst vast dat [betrokkene] met de kern van zijn werkzaamheden is gebleven binnen de aan hem door appellante verstrekte opdracht, welke in essentie neerkwam op het opzetten van een personeelsafdeling. [betrokkene] heeft in dit kader in hoofdzaak op grond van eigen inzicht en vakinhoudelijke kennis adviezen gegeven aan het management van appellante. Aan de omstandigheid dat [betrokkene] incidenteel en bij uitzondering uitvoerende personele werkzaamheden heeft verricht, kan in het onderhavige geval geen gezagsverhouding worden ontleend. De stelling van gedaagde dat [betrokkene] over zijn werkzaamheden aan H.D. Sinke verantwoording moest afleggen, in die zin dat zijn werk op onderdelen werd gecontroleerd, vindt geen steun in de stukken voorzover daarmee wordt bedoeld dat appellante invloed heeft uitgeoefend op de inhoud van de adviezen of de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen. De Raad is niet gebleken van een sturende rol in hierbedoelde zin van de kant van het management. Het overleg tussen [betrokkene] en Sinke stond blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting veeleer in het teken van rapportage over de voortgang en afstemming van de adviezen op de wensen van de organisatie. Voorts merkt de Raad nog op dat hem niet is gebleken dat [betrokkene] binnen het bedrijf van appellante onder de verantwoordelijkheid van het management enige zeggenschap heeft gehad in bijvoorbeeld de keuze uit sollicitanten voor een functie bij appellante.

Nu tussen appellante en [betrokkene] een gezagsverhouding ontbreekt, komt de Raad tot het oordeel dat geen sprake is van verzekeringsplichtige en deswege aan premieheffing onderworpen werkzaamheden. Dit betekent dat ook de grondslag aan de opgelegde boete is komen te ontvallen.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 18 december 2001 en de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, niet in stand kunnen blijven. De Raad acht tevens termen aanwezig om - met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht - de primaire besluiten van 27 april 2001 en 2 mei 2001 te vernietigen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 december 2001;
Vernietigt de besluiten van 27 april 2001 en 2 mei 2001;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 531,20 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x