Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR5894
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking van freelance-examinatoren. Onvoldoende is komen vast te staan op welke dragende feiten en omstandigheden de verzekeringsplicht is gebaseerd.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/6012 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op de bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 23 oktober 2002 tussen partijen gewezen uitspraak met kenmerk 01/4321, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde hebben drs. H.Th. Kuipers en P.I.T. Sassen, belastingadviseurs bij Ernst & Young te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 september 2004, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigde mr. N.M.D. van Beek, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door S. Camonier, manager afname van examens, bijgestaan door P.I.T. Sassen, voornoemd.




II. MOTIVERING


Als uitvloeisel van een looncontrole van 10 december 1999 en een verzekeringsplichtrapport van 16 augustus 2000 gevoegd bij een intern discussiestuk heeft appellant door gedaagde aangetrokken freelance-examinatoren, bij uitstek deskundig om op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen theorie-examens op locatie bij gedaagde af te nemen, als zodanig met ingang van 1 januari 2001 verzekeringsplichtig geacht in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Bij het in geding zijnde besluit van 10 november 2001 van appellant is daartoe alsnog uitgegaan van een gezagsrelatie tussen gedaagde en de betrokken examinatoren. Dit was anders dan voorheen, toen uitgaande van toetsing aan artikel 5 van bedoelde wetten, onder daartoe leidende condities aanname van verzekeringsplicht van betrokken examinatoren uit hoofde van deze bepaling plaatsvond.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het zojuist genoemde besluit om reden van het bestaan van een aantal lacunes in de motivering wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. Kort samengevat, komen de lacunes hierop neer dat niet blijkt op welke feiten en omstandigheden de aanname van verzekeringsplicht voorheen op basis van artikel 5 thans op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten is gebaseerd, dat niet duidelijk is hoe de verzekeringsplicht van deze groep examinatoren zich tot de situatie van andere groepen examinatoren bij gedaagde verdraagt, en dat voor de betrokken groep examinatoren met name het vermoeden van een gezagsverhouding, gebaseerd op een niet vrijgegeven discussiestuk, niet door een expliciete motivering wordt bevestigd. De rechtbank heeft daarna appellant een hernieuwde periode van besluitvorming van acht weken geboden.

Blijkens het hoger beroep heeft appellant geen gebruik gemaakt van de laatste geboden mogelijkheid en vastgehouden aan zijn ingenomen standpunt op grond van het gehouden nader onderzoek om voor de onderhavige groep examinatoren de aanname van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waaronder het bestaan van een gezagsrelatie tot gedaagde, gerechtvaardigd te achten.
Ter zitting van de Raad is zulks van de zijde van appellant desgevraagd nader toegelicht. Gewezen is hierbij op voortschrijdend inzicht ten aanzien van de onderhavige groep examinatoren die als oproepkrachten uit een selecte pool kwamen en zich ten tijde van hun arbeid van een bindende vragenlijst moesten bedienen.

Van de kant van gedaagde is verweer gevoerd in die zin dat niet valt in te zien waarom per 1 januari 2001 van eerdere weloverwogen besluitvorming zonder nadere draagkrachtige motivering is afgeweken. Daarbij is benadrukt de ondersteunende en faciliterende organisatorische functie welke gedaagde vervult zonder inhoudelijke sturing en toezicht op de feitelijke werkzaamheden van de volstrekt autonoom opererende betrokken examinatoren. Benadrukt is dat louter het wettelijk en organisatorisch kader waarbinnen deze examinatoren hun werkzaamheden uitvoerden van onvoldoende betekenis is om een reële gezagsverhouding tot gedaagde aan te nemen.
Ter zitting van de Raad is eveneens een en ander van de zijde van gedaagde toegelicht, waarbij is benadrukt dat de examinatoren als inhoudelijke ervaringsdeskundigen zelf vrij zijn hun eigen verantwoordelijkheden te realiseren ten aanzien van het stellen van vragen en beoordelen van antwoorden en geenszins gebonden zijn aan het hanteren van bindende vragenlijsten.

De Raad overweegt het volgende.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is ook voor de Raad, in overeenstemming met de duidelijk en concludent onderbouwde zienswijze van de rechtbank, vooralsnog onvoldoende komen vast te staan op welke dragende feiten en omstandigheden verzekeringsplicht per 1 januari 2001 uit hoofde van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten voor de betrokken groep examinatoren, inzonderheid het bestaan van een gezagsrelatie tot gedaagde was gebaseerd. In elk geval dient de omslag in motivering van besluitvorming voor deze examinatoren als kennelijk al te summier te worden beschouwd. Hierbij ware in aanmerking te nemen dat, wat daarvan zij, een consistente op toetsing van artikel 5 van bedoelde wetten gebaseerde beleidslijn voor een selecte afgescheiden groep examinatoren in een bepaald jaar is verlaten, zonder dat deze aan de hand van enig controleerbaar en verifieerbaar nieuw beleidsstuk en een toegespitste motivering de toepasbaarheid van artikel 3 van meerbedoelde regelgeving waaronder het bestaan van een gezagsrelatie tussen gedaagde en de betrokken examinatoren in toereikende mate concreet en specifiek voor de onderhavige groep vaklieden schraagt. De Raad wijst ter adstructie ook op zijn uitspraak van 16 december 1999, nr. 98/6580 ALGEM, USZ 2000/25. Met het oog hierop is het bewaken van de kwaliteit door gedaagde, het informeren over wijzigingen in de regelgeving en het incidenteel de gelegenheid geven tot het volgen van applicatiecursussen als ter zitting aangegeven niet zonder meer voldoende voor het bestaan van reëel werkgeversgezag, in het licht van de met klem betwiste binding van en de staande gehouden autonomie van de examinatoren die zich als externe deskundigen vrij achten in de inrichting, het afnemen en het toetsen van de theorie-examens. Daarenboven benadrukt de Raad dat in elk geval ook uit overwegingen van proceseconomie appellant er verstandig aan had gedaan aanstonds zorgvuldig gevolg te geven aan de aanbeveling van de rechtbank op korte termijn een hernieuwde beslissing te nemen, waarbij de lacunes in de motivering na gericht voor partijen en de rechter kenbaar onderzoek aanstonds waren opgeheven. In dit kader hadden enige representatieve gesprekken met betrokken examinatoren over hun arbeidsrelatie benevens het verschaffen van opheldering over de aard van de inrichting van het examen en van de wijze van toezicht daarop van gedaagde in relatie tot meerbedoelde examinatoren alleszins dienstig kunnen en moeten zijn. Nu omissies als deze noch in eerste instantie noch in hoger beroep zijn hersteld, blijft het onverkort vasthouden aan de eens bepaalde besluitvorming van appellant al te speculatieve, summiere en ongenoegzaam gemotiveerde trekken vertonen.
De Raad kan deswege delen het oordeel van de rechtbank die het bestreden besluit van appellant strijdig met artikel 7:12 van de Awb heeft geacht.

Het hoger beroep van appellant kan mitsdien niet slagen en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van appellant een recht van € 409,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x