Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR6813
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn betrokkenen terecht als verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen aangemerkt omdat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking? Onkostenvergoeding met betrekking tot parkeer-, tol- en veergelden en waskosten. Oplegging van correctie- en boetenota's.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4509 ALGEM en 02/4610 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[belanghebbende] gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 26 juni 2000 heeft het bestuursorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen correctienota’s van 30 december 1999 over de premiejaren 1994 tot en met 1999, alsmede de bezwaren van belanghebbende tegen de registratie van een administratief verzuim en de daarmee samenhangende boetenota’s van 14 februari 2000 over de premiejaren 1995 tot en met 1998.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 16 juli 2002, kenmerk 00/6001, het namens belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, voorzover betrekking hebbende op de verzekeringsplicht van de [betrokkenen 1 en 2] over de periode van 12 september 1996 tot 29 november 1996, de onkostenvergoedingen van de managementassistentes en de opgelegde boetenota’s, dat besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, gelast dat het Uwv het door belanghebbende gestorte griffierecht vergoedt en het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Partijen zijn van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen; het bestuursorgaan op bij aanvullend beroepschrift van 4 oktober 2002 aangevoerde gronden en belanghebbende op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 15 november 2002 aangevoerde gronden.

Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift, gedateerd 11 december 2002, ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 september 2004, waar voor belanghebbende is verschenen mr. B.J.P. van Peursem, belastingsadviseur te ’s-Hertogenbosch, en waar voor het bestuursorgaan is verschenen mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij voormeld besluit van 26 juni 2000 heeft het bestuursorgaan gehandhaafd de aan belanghebbende opgelegde premienota’s over de jaren 1994 tot en met 1999 en de aan belanghebbende opgelegde boetenota’s over de jaren 1995 tot en met 1998. Deze nota’s zijn een uitvloeisel van een op 16 december 1999 bij belanghebbende gehouden looncontrole, waarvan op 17 december 1999 rapport is opgemaakt. De nota’s hebben betrekking op:
- betalingen verricht in de periode van 14 januari 1994 tot 29 november 1996 aan de persoonlijke vennootschappen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], welke vennootschappen tezamen met de persoonlijke vennootschap van [betrokkene 3] het bestuur van belanghebbende vormen;
- betalingen verricht vanaf 1 oktober 1997 aan de persoonlijke vennootschap van [betrokkene 4] en het verstrekken van een vaste onkostenvergoeding van destijds f 75,-- per maand aan de managementassistentes van belanghebbende.

Het bestuursorgaan heeft zich ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] primair op het standpunt gesteld dat zij hun werkzaamheden voor belanghebbende tot 29 november 1996 hebben verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Met ingang van 29 november 1996 zijn de aandelen in belanghebbende gecertificeerd en worden deze aandelen gehouden door de [stichting], waarvan de [betrokkenen 1 en 2] het bestuur vormen. Ook ten aanzien van [betrokkene 4] heeft het bestuursorgaan zich primair op het standpunt gesteld dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot belanghebbende staat. De vaste onkostenvergoeding, die blijkens een in bezwaar overgelegde specificatie wordt verstrekt voor niet te declareren zakelijke kilometers (f 48,--) en parkeer-, veer- en tolgelden alsmede waskosten (f 25,--), heeft het bestuursorgaan niet geaccepteerd. Naar zijn mening gaat het niet aan om kosten in verband met zakelijke kilometers te verstrekken in de vorm van een vaste vergoeding. Voorts zijn parkeer-, tol- en veergelden begrepen in de maximumvergoeding per kilometer. Tevens heeft het bestuursorgaan gesteld dat niet is gebleken dat de managementassistentes zakelijke kilometers verrijden. Met betrekking tot de waskosten heeft het bestuursorgaan het onaannemelijk geacht dat de assistentes zodanig vuil werk verrichten dat zij worden geconfronteerd met extra waskosten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aan de hand van het aandelenregister van belanghebbende vastgesteld dat tot 12 september 1996 de persoonlijke vennootschap van [betrokkene 3] 55% van de aandelen in belanghebbende bezat en deze vennootschap dan ook tot die datum een doorslaggevende stem had in de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende. In de periode tot 12 september 1996 konden [betrokkenen 1 en 2] derhalve tegen hun wil worden geschorst of ontslagen. Naar het oordeel van de rechtbank waren beiden tot 12 september 1996 onder gezag werkzaam. Voorts dient de overeengekomen managementfee als loon te worden gekwalificeerd en was er eveneens sprake van een verplichting tot persoonlijk dienstverrichting. Omtrent de periode van 12 september 1996 tot 29 november 1996 heeft de rechtbank overwogen dat het bestuursorgaan er ten onrechte vanuit is gegaan dat ook na 12 september 1996 de persoonlijke vennootschap van [betrokkene 3] een meerderheidsaandeel had. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van het bestuursorgaan van 26 juni 2000 op een onjuiste feitelijke grondslag berust en, voorzover dat besluit ziet op de periode van 12 september 1996 tot 29 november 1996, om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.
Ten aanzien van [betrokkene 4] heeft de rechtbank geoordeeld, dat gelet op de managementovereenkomst tussen zijn persoonlijke vennootschap en belanghebbende, aan alle voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt voldaan. [betrokkene 4] bezat geen meerderheidsaandeel en maakte ook geen deel uit van het bestuur van de [stichting].
Met betrekking tot de onkostenvergoeding heeft de rechtbank in het licht van ’s Raads uitspraken van 4 november 1992, RSV 1993/222, en 10 juni 1999, RSV 2000/11, geoordeeld dat het bestuursorgaan te strenge eisen heeft gesteld aan belanghebbende inzake het aannemelijk maken van de juistheid van de vergoeding door te eisen dat alsnog wordt aangetoond dat zakelijke kilometers zijn verreden. Door de gepresenteerde onkosten als geheel bovenmatig aan te merken om de enkele reden dat belanghebbende het maken van deze kosten niet kan aantonen heeft het bestuursorgaan naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat de beschikbare gegevens, in het bijzonder de door belanghebbende overgelegde overzichten van twee managementassistentes, niet in redelijke mate duidelijk maken dat de door belanghebbende opgegeven onkosten in hun geheel bovenmatig zijn.

Belanghebbende kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen voorzover de rechtbank heeft aangenomen dat [betrokkene 4] in de betrokken jaren en [betrokkenen 1 en 2] in de periode van 14 januari 1994 tot 12 september 1996 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot haar hebben gestaan.

Het bestuursorgaan kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank inzake de verschuldigdheid van premies over de betalingen verricht aan de persoonlijke vennootschappen van [betrokkenen 1 en 2] in de periode van 12 september 1996 tot 29 november 1996 en het oordeel van de rechtbank omtrent de onkostenvergoeding aan de managementassistentes, voorzover betrekking hebbende op parkeer-, tol- en veergelden, alsmede waskosten.

Met betrekking tot de nageheven premies over de betalingen aan de persoonlijke vennootschap van [betrokkene 4] verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank daarover en maakt de door haar gebezigde overwegingen tot de zijne. In hetgeen namens belanghebbende is aangevoerd - in feite een verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure naar voren is gebracht - heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een andersluidend oordeel.

Met betrekking tot de nageheven premies over de betalingen aan de persoonlijke vennootschappen van [betrokkenen 1 en 2] over de periode van 14 januari 1994 tot 12 september 1996 verenigt de Raad zich eveneens met het daarover gegeven oordeel van de rechtbank. Ook naar het oordeel van de Raad werd aan de voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking voldaan, in het bijzonder de voorwaarde van de mogelijkheid van gezagsuitoefening door de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende. Van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat deze mogelijkheid niet reëel aanwezig was, is de Raad niet kunnen blijken. Met betrekking tot de periode van 12 september 1996 tot 29 november 1996 heeft naar het oordeel van de Raad hetzelfde te gelden. Ook al zou moeten worden aangenomen dat het bestuursorgaan er ten onrechte van is uitgegaan dat de persoonlijke vennootschap van [betrokkene 3] nog de meerderheid van de aandelen had, zulks betekent niet dat daarmee de grondslag aan de premieheffing is komen te ontvallen. Aan de premieheffing ligt ten grondslag de aanname dat beide heren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden tot belanghebbende. In dit laatste is geen wijziging gekomen per 12 september 1996. Ook na die datum bestond de mogelijkheid van reële gezagsuitoefening door de algemene vergadering van aandeelhouders. Dat het bestuursorgaan over evenbedoeld tijdvak ook premies had kunnen naheffen over de betalingen aan de persoonlijke vennootschap van [betrokkene 3], maakt het vorenstaande niet anders.

Met betrekking tot de onkostenvergoeding merkt de Raad allereerst op dat, naar ook door belanghebbende is erkend, er naast een vergoeding voor zakelijke kilometers geen plaats is voor een afzonderlijke vergoeding voor parkeer-, tol- en veergelden. Hiermee verband houdende kosten moeten worden geacht te zijn begrepen in de vergoeding voor zakelijke kilometers. Met betrekking tot de waskosten heeft het bestuursorgaan er naar het oordeel van de Raad terecht op gewezen dat, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 november 1994, RSV 1995/87, een werkgever aannemelijk dient te maken dat het kosten betreft die een werknemer in verband met zijn dienstbetrekking heeft te maken, dan wel kosten zijn die kunnen bijdragen tot een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover die kosten niet gemaakt zouden zijn door iemand die niet een zelfde dienstbetrekking vervult, maar wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in dezelfde positie verkeert. Met het bestuursorgaan is de Raad van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waskosten kosten zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De in eerste aanleg door belanghebbende overgelegde overzichten van door twee managementassistentes gemaakte onkosten maken overigens ook geen melding van waskosten (noch van parkeer-, tol- en veergelden). De Raad voegt aan het hier overwogene nog toe dat, nu het te dezen geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten betreft, de door de rechtbank vermelde uitspraken van de Raad te dezen toepassing missen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende faalt en het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover het beroep gegrond is verklaard en het besluit van 26 juni 2000 is vernietigd met betrekking tot de verzekeringsplicht van [betrokkenen 1 en 2] in de periode van 12 september 1996 tot 29 november 1996 en met betrekking tot dat deel van de onkostenvergoeding dat ziet op parkeer-, tol- en veergelden, alsmede waskosten;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond;
Bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x