Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AR7021
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Zijn betrokkenen, die op afroep klussen als elektricien en loodgieter aan elektrotechnische installaties voor hun rekening namen, in een gezagsrelatie werkzaam geweest?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/912 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 27 maart 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 21 januari 2003 tussen partijen gewezen uitspraak (nr. 01/1618).

Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 28 april 2003 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 november 2004, waar voor appellant is verschenen P.R.H. Min, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door haar [directeur], bijgestaan door mr. drs. P. van de Linde, belastingadviseur bij Cox & Partners te Hoofddorp.




II. MOTIVERING


In geschil is het antwoord op de vraag of [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (hierna: betrokkenen) in de jaren in geding 1995, 1997, 1998 en 1999 tot gedaagde in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding, te weten een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, werkzaam zijn geweest. Het geschil spitst zich er in het bijzonder op toe of betrokkenen die op afroep klussen als elektricien en loodgieter aan elektrotechnische installaties voor hun rekening namen, in een gezagsrelatie werkzaam zijn geweest.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van appellant, vervat in het door gedaagde bestreden besluit van 18 juli 2001 niet gevolgd, omdat aan het daaraan ten grondslag gelegde onderzoek noch een onderzoek op de werkplek noch gesprekken met betrokkenen/ andere medewerkers ten grondslag liggen en onvoldoende weersproken is dat betrokkenen hun werk in onderaanneming hebben uitgeoefend ter uitvoering van bepaalde werken tegen gemaximeerde tarieven, terwijl niet aannemelijk is dat het vaste personeel onder deze voorwaarden heeft gewerkt. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit berust op een onvoldoende feitelijke grondslag en een deugdelijke motivering ontbeert en heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

In hoger beroep heeft appellant de stellingen betrokken dat het onderzoek voldoende is geweest, dat er genoegzaam met de directeur van het bedrijf is gesproken, dat betrokkenen blijkens het onderzoek bij pieken werden ingeschakeld voor klussen, en dat zij met het vaste personeel van het bedrijf meewerkten, arbeid verrichtten die tot het wezen van de bedrijfsvoering behoorde en dat zij gebruik maakten van materiaal van het bedrijf. Appellant heeft er dan ook aan vastgehouden dat over de jaren in geding terecht premiecorrecties en boetenota’s zijn opgelegd.

Daartegenover is gedaagde zich te weer blijven stellen tegen het gebrekkige feitelijke onderzoek en de ondeugdelijke motivering van het bestreden besluit. Daarbij is benadrukt dat betrokkenen zelfstandige projecten in onderaanneming deden, geen instructies ontvingen en niet deelnamen aan het wekelijks werkoverleg, en niet zijn bevraagd in het vooronderzoek hoe en wanneer zij hun werk verrichtten. Er werd ook gebruik gemaakt van eigen materiaal en de stelling als zou zijn samengewerkt met het vaste personeel heeft gedaagde aangemerkt als slechts een loze veronderstelling. Verworpen is tevens het standpunt als zou in tijden van drukte en ziekte personeel zijn ingeschakeld onder een regime van dezelfde aanwijzingen en opdrachten als ware het vast personeel. Een gedegen onderzoek is achterwege gebleven. Niet zonder bevreemding is ervan kennis genomen dat slechts een drietal werkers van het niet vaste personeel eruit is gelicht als zijnde verzekeringsplichtig.

De Raad overweegt het volgende.

Op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting moet de Raad onderschrijven dat het onderzoek van appellant te summier en te gebrekkig is geweest zowel in vergaring van basisfeiten als concrete bevraging van betrokkenen. Een omissie van gewicht is daarbij dat aanmerkelijk meer klussers - niet behorende tot het vast personeel voor gedaagde - werkzaam zijn geweest op onderscheidene karweien doch dat slechts het onderhavige drietal als beschouwd onder gezag zonder nadere redengeving eruit is gelicht. Een voor de Raad noodzakelijk gebleken reconstructie van de feiten en de wijze waarop betrokkenen hebben gewerkt doet echter ook hier veeleer uitkomen dat er overwegend sprake is geweest van het verzetten van zelfstandige klussen van specifieke aard als elektricien of loodgieter waarvoor betrokkenen als zelfstandige ondernemers bij uitstek toegerust waren om die zonder instructies en aanwijzingen tot een goede afronding te brengen, waarbij kennelijk zowel deelname aan constituerende bouwvergaderingen, de actieve deelname aan en de evaluatie bij de oplevering van de klussen alsmede de duidelijke maximering van de vergoeding voor de klussen - onder het ecarteren van een extra uurvergoeding voor meerwerk of het onder omstandigheden voor eigen rekening bijwerken - alleszins pleit voor het aan de orde zijn van het aannemen van werken als ondernemers zonder enige gezagsrelatie. De stelling van appellant dat betrokkenen in piekperioden gelijkelijk aan de - condities van de - overige vaste werknemers te werk zouden zijn gesteld vindt overigens geen steun in het onderzoek en de feiten, doch slechts in voor betwisting vatbaar gebleken stellingen en veronderstellingen, welke de Raad niet zonder meer tot de zijne kan maken. De Raad acht veeleer aannemelijk dat betrokkenen, in het kader van door gedaagde aangenomen grote projecten, voor specifieke deelprojecten werden aangetrokken. Betrokkenen reden klaarblijkelijk ook met eigen bedrijfsauto’s en werkten met eigen gereedschap.
Naar het oordeel van de Raad berust het bestreden besluit dan ook onmiskenbaar niet alleen op een te summier onderzoek en ondeugdelijke motivering maar is er ook sprake van een geheel andere arbeidsrelatie van betrokkenen - dat wil zeggen zonder gezag - dan waarvan appellant is uitgegaan. Derhalve valt niet in te zien dat er hier een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten zou kunnen worden aangenomen welke tot premiecorrecties en boetenota’s aanleiding zou behoren te geven.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,--wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x