Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS2121
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht van taxichauffeurs. Is het betrokken bedrijf terecht als werkgeefster aangemerkt en zijn dienaangaande terecht aan haar nota’s ingevolge de sociale verzekeringswetten gezonden?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/966 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 99/9073 en 01/1827, van 21 december 2001.

Gedaagde heeft bij brief van 17 juni 2002 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het besluit van gedaagde waarin deze appellante als werkgever heeft aangemerkt en dienaangaande aan haar nota’s ingevolge de sociale verzekeringswetten heeft gezonden betreffende - voor zover nog in geding - het jaar 1995 en tevens heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot deze nota’s. Tevens is in geding de vraag of de door gedaagde toegepaste schatting van de niet-verantwoorde lonen in rechte stand kan houden.

Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In onderhavig geding was [naam exploitant] de oorspronkelijke exploitant.

De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.

De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen ten aanzien van de betrokken taxichauffeurs en daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden.

De stelling van appellante dat niet zij, maar [naam exploitant], voornoemd, als werkgever moet worden beschouwd en dat derhalve de premienota’s aan de onjuiste persoon zijn opgelegd, kan de Raad niet onderschrijven. Uit hetgeen namens appellante in de loop der procedure is aangevoerd en uit hetgeen namens gedaagde in het besluit in geding is vermeld, kan er geen misverstand hebben bestaan over het feit dat [naam exploitant] gebruikmakend van de handelsnaam [naam coöperatief], als werkgever wordt beschouwd.

In genoemde uitspraak van 23 oktober 2003 heeft de Raad ook geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Ook daaromtrent ziet de Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.

Met betrekking tot het door appellante gestelde over de door gedaagde toegepaste schatting van het aantal niet verantwoorde diensten oordeelt de Raad dat deze grieven niet nader zijn onderbouwd met concrete bewijzen. Derhalve moet de schatting van gedaagde niet voor onjuist worden gehouden.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x