Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS2130
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten van taxichauffeurs. Op basis van de resultaten van een grootschalig onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft het UWV geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en, indien van toepassing, de Zfw tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de betreffende taxionderneming zijn blijven werken. Verwijzing naar een eerdere uitspraak omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs. De arbeidsovereenkomst is niet in weerwil van de zelf gekozen bewoordingen als huurovereenkomst aan te merken.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1482 ALGEM en 02/1483 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de vennoten van [VOF], te [woonplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellanten heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 99/7581 en 99/564, van 11 januari 2002.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2004, waar voor appellante - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het besluit van gedaagde waarin deze verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [betrokkene] (hierna: betrokkene).

Naar aanleiding van zorgen over de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij individuele taxiondernemingen heeft gedaagde geconcludeerd dat taxichauffeurs ondanks een firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en, indien van toepassing, de Ziekenfondswet (Zfw) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken.

De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.

Met betrekking tot de verzekeringsplicht van betrokkene overweegt de Raad dat uit de gedingstukken blijkt dat er een arbeidsovereenkomst is gesloten tussen enerzijds appellanten en anderzijds betrokkene. Uit het bestaan van deze arbeidsovereenkomst volgt dat er sprake is van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding; appellant erkent immers dat [naam reservechaffeur] als reservechauffeur feitelijk tegen betaling arbeid heeft verricht. Anders dan appellant stelt is de overeenkomst niet in weerwil van de zelf gekozen bewoordingen als huurovereenkomst aan te merken.

De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x