Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS2216
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-12-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht van taxichauffeurs. Is terecht verzekeringsplicht aangenomen voor de vennoot van de vennootschap en kon deze terecht worden aangesproken voor de premienota’s?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2993 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[naam VOF], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 01/3249, van 1 mei 2002.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 november 2004, waar voor appellant - hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen - niemand is verschenen, en waar gedaagde zich - eveneens na daartoe ambtshalve opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door E.I. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het besluit van gedaagde van 26 juli 2001 - hierna: bestreden besluit -. In het bestreden besluit heeft gedaagde verzekeringsplicht heeft aangenomen voor [M. B.], [M. J.] en [A. B.] (hierna: betrokkenen) en besloten dat voor appellant premieplicht vanwege deze verzekeringsplicht geldt vanaf 11 april 1996.

Omtrent deze kwestie is door de rechtbank ook reeds op 10 augustus 2000 een uitspraak gedaan, waarbij het destijds voorliggende besluit wegens gebreken in de tenaamstelling is vernietigd. Omtrent de ook destijds door gedaagde al aangenomen verzekerings- en premieplicht kon de rechtbank zich, in overwegingen ten overvloede, vinden in het besluit. In de aangevallen uitspraak volgt de rechtbank de overwegingen uit genoemde uitspraak van 10 augustus 2000 en komt tot dezelfde conclusie. Tevens oordeelt de rechtbank dat de foutieve tenaamstelling bij het bestreden besluit op juiste wijze is hersteld.

De Raad is van oordeel dat omtrent de tenaamstelling van het bestreden besluit de rechtbank tot een juist oordeel is gekomen en maakt die tot de zijne.

Met betrekking tot de onderliggende vraag naar de verzekeringsplicht overweegt de Raad als volgt.

De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.

De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen tussen appellant en betrokkenen en daar premieplichtige consequenties aan heeft verbonden.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant, als vennoot van de vennootschap, kon worden aangesproken voor de premienota’s. Met appellant is de Raad van oordeel dat dit geen juiste constatering is, nu uit het voorgaande volgt dat appellant als werkgever kon worden aangesproken. Nu echter alle besluiten aan appellant zijn toegezonden in zijn hoedanigheid van werkgever en uit de gedingstukken duidelijk naar voren komt dat het tussen partijen ook nooit een discussiepunt is geweest dat appellant gezien werd als de werkgever, kan de Raad aan deze omissie van de rechtbank niet die gevolgen verbinden die appellant daaraan gehecht wil zien.

Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking, zij het op deels andere gronden.

Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x