Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS2376
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht van taxichauffeurs. Is terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding aangenomen ten aanzien van betrokkene en zijn daar terecht consequenties in de premiesfeer - waaronder begrepen de registratie van een verzuim - aan verbonden?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/6507 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

De vennoten van [naam VOF], gevestigd te [vestigingsplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap Mr. E. Bos te Amsterdam, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 98/7660, van 10 augustus 2000.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 9 december 2004, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


In geding is de vraag of de rechtbank terecht in stand heeft gelaten het besluit van gedaagde waarin deze ongegrond heeft verklaard de bezwaren van appellanten tegen nota’s ingevolge de sociale verzekeringswetten met betrekking tot het jaar 1996 wegens het bestaan van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking tussen appellanten en [W. B.], de registratie van een administratief verzuim en de weigering uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de nota’s.

Naar aanleiding van bedenkingen ten aanzien van de wijze waarop de Amsterdamse taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij de individuele taxionderneming heeft gedaagde geconcludeerd dat de taxichauffeurs ondanks de firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in
artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) tot de oorspronkelijke exploitanten van de taxivergunning en de samenwerkingsovereenkomst met de Taxicentrale Amsterdam zijn blijven werken. In het onderhavige geding zijn de oorspronkelijke exploitanten [J. G.] en [R. S.]. De werkzaamheden werden verricht in het verband van een vennootschap onder firma met als vennoten de [G.], [S.] en [B.].

De Raad heeft omtrent de verzekeringsplicht van taxichauffeurs reeds een uitspraak gedaan op 23 oktober 2003 (LJN AN7534, RSV 2003/305 en USZ 2003/362). De destijds besliste zaken kwamen voort uit hetzelfde, hierboven genoemde, onderzoek.

De Raad ziet, nu materieel dezelfde arbeidsverhouding aan de orde is, geen aanleiding omtrent de in die uitspraak reeds besliste onderwerpen thans anders te beslissen. Derhalve komt in het onderhavige geding de Raad tot het oordeel dat gedaagde terecht een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding heeft aangenomen ten aanzien van [B.] en daar consequenties in de premiesfeer - waaronder begrepen de registratie van een verzuim - aan heeft verbonden. Tevens is de Raad van oordeel dat het, gezien de inhoud van het bestreden besluit, duidelijk moet zijn geweest welke vennoten van de [naam VOF] als werkgever dienen te worden aangemerkt. De naam van de vennoot [B.] is in het besluit immers expliciet vermeld. Blijkens hetgeen door [naam VOF] in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren is gebracht, is het ook steeds duidelijk geweest tussen welke vennoten onderscheid werd gemaakt. Daarbij komt nog dat het bestreden besluit aan de vennoten van [naam VOF] is gericht.

In genoemde uitspraak van 23 oktober 2003 heeft de Raad ook geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen met betrekking tot de opgelegde premienota’s. Ook daaromtrent ziet de Raad geen aanleiding thans anders te beslissen.

Appellanten zijn van oordeel dat de aangevallen uitspraak vernietigd zou moeten worden omdat de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de registratie van het administratief verzuim. De Raad kan hen daar niet in volgen. Het besluit waarin de registratie wordt medegedeeld is door de rechtbank genoemd in haar uitspraak. Uit de overwegingen en het dictum van de uitspraak blijkt dat de rechtbank zich kon vinden in de besluiten waartegen beroep was ingesteld. Hiermee staat naar het oordeel van de Raad vast dat de rechtbank ook het beroep tegen de registratie ongegrond heeft verklaard.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x