Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS3450
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De arbeidsverhouding tussen de stichting en de betrokken acteurs, ook ten aanzien van de acteurs die beschikken over een door de belastinginspecteur afgegeven zelfstandigheidsverklaring, wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Is er sprake van een gezagsverhouding? Vier gedaagden zijn geen belanghebbende, omdat zij niet zelf hoger beroep hebben ingesteld.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4059 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

1. [gedaagde 1], gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [gedaagde 2], gevestigd te [vestigingsplaats],
3. [gedaagde 3], wonende te [woonplaats],
4. [gedaagde 4], wonende te [woonplaats],
5. [gedaagde 5], gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagden.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen onder kenmerk 01/1329 op 2 juli 2002 door de rechtbank Haarlem gewezen uitspraak.

Gedaagden hebben een verweerschrift ingediend en daarop heeft appellant bij brief van 17 december 2002 gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 9 september 2004, waar namens appellant is verschenen mr. D.B. Smaalders, terwijl gedaagden zich hebben doen vertegenwoordigen door mr. E.M. van Boven, advocaat te ’s-Gravenhage. Namens gedaagde 1 zijn verschenen P. Devilee en K. Bessems.




II. MOTIVERING


Bij brief van 27 juni 2000 is de voormalige [naam stichting], eertijds gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de stichting), door appellant in kennis gesteld van zijn beslissing dat zij vanaf 1 januari 2001 premies ingevolge de werknemersverzekeringen is verschuldigd over de betalingen die zij doet aan door haar bij rollenspellen in het kader van cursussen en trainingen ingezette acteurs. De arbeidsverhouding tussen de stichting en deze acteurs, ook ten aanzien van de acteurs die beschikken over een door de belastinginspecteur afgegeven zelfstandigheidsverklaring, wordt door appellant aangemerkt als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Bij het bestreden besluit van 10 augustus 2001 is het daartegen gerichte bezwaar door appellant ongegrond verklaard.

Gedaagde 1 heeft onder bijzondere titel de passiva en activa van de stichting verworven en voor haar rekening en risico ingaande 1 januari 2001 de activiteiten van de stichting voortgezet. De stichting is inmiddels ontbonden.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van de gedaagden 2 tot en met 5 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bestreden besluit geen rechtsgevolgen voor hen zou hebben.

Ten aanzien van het beroep van gedaagde 1 heeft de rechtbank onder meer overwogen, zakelijk, dat appellant “in grote lijnen” terecht heeft aangenomen dat de acteurs bij haar in dienstbetrekking werkzaam zijn. De rechtbank acht echter het door appellant verrichte onderzoek onvoldoende om te bepalen of alle acteurs onder dezelfde voorwaarden bij gedaagde 1 werken en acht om die reden niet uitgesloten dat een aantal acteurs niet onder gezag van gedaagde 1 werkzaam zijn. Deze overwegingen dragen de beslissing van de rechtbank om het beroep van gedaagde 1 gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen, en de veroordeling van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de gedingkosten, waaronder het griffierecht.

De Raad overweegt ambtshalve als volgt.

Nu gedaagden 2 tot en met 5 niet (zelf) hoger beroep hebben ingesteld, heeft de Raad uit te gaan van de juistheid van het door de rechtbank over hun beroep gegeven beslissing. Het daarop betrekking hebbende verweer zal daarom onbesproken (moeten) blijven.

De rechtbank heeft gedaagde 1 als rechtsopvolger van de stichting tot het geding toegelaten. Tussen partijen is niet in geschil dat de stichting door de overdracht van al haar activiteiten ingaande 1 januari 2001 aan gedaagde 1 geen belang (meer) had bij haar beroep.

Onder omstandigheden staat in het stelsel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bestuursrechtelijke rechtsgang open voor een rechtsopvolger onder bijzondere titel, die treedt in het belang van de geadresseerde. Voorbeelden hiervan zijn de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 5 juni 2002 (nr. 200101484/1), 11 juni 2003 (nr. 200205217/1) en 3 maart 2004 (nr. 200304595/1). Voor het op grond van rechtsopvolging onder bijzondere titel kunnen overnemen van door de rechtsvoorganger opgebouwde aanspraken op rechtsbescherming kan aanleiding zijn in die gevallen waarin zonder deze overname de rechtsbescherming als gevolg van de rechtsopvolging verloren zou gaan (ABRvS 27 november 2002, nr. 200002427/1). Consequentie in deze gevallen is dan wel dat, als het besluit formele rechtskracht verkrijgt, zich dat tevens uitstrekt tot de rechtsopvolger voor wie de bestuursrechtelijke rechtsgang open heeft gestaan, ongeacht of hij daarvan heeft gebruik gemaakt. Indien de rechtsopvolging onder bijzondere titel plaats vindt nadat het besluit formele rechtskracht heeft verkregen, geldt als hoofdregel dat de rechtsopvolger niet wordt gebonden door een niet aan hem gericht besluit of de resultaten van de bestuursrechtelijke rechtsgang daartegen (ABRvS 24 december 2003, nr. 200301686/1).

De Raad constateert dat de volledige bedrijfsvoering vanaf 1 januari 2001 door gedaagde 1 van de stichting is overgenomen en dat sprake is geweest van een overgang van een onderneming waarbij alle bestaande arbeidsverhoudingen tussen stichting en de acteurs op identieke termen zijn overgegaan c.q. overgenomen door gedaagde 1. Onder die omstandigheden heeft de rechtbank terecht gedaagde 1 als opvolgende partij tot het geding toegelaten.

Verder overweegt de Raad het volgende.

Het bedrijf van gedaagde 1 is een acteursbureau, dat acteurs aan bedrijven en instellingen ter beschikking stelt voor onderdeel van bedrijfstrainingen/presentaties uitmakende rollenspelen. Gedurende de (verlengde) besluitvorming is uitvoerig onderzoek gedaan naar de aard van deze werkzaamheden en de condities waaronder deze worden verricht. Daarbij heeft appellant tevens gesprekken gevoerd met door gedaagde 1 aangedragen en geselecteerde acteurs en twee personen die de acteurs inzetten voor hun bedrijfstrainingen/presentaties.

Met appellant, en in tegenstelling tot de rechtbank, is de Raad van oordeel dat dit onderzoek toereikend is geweest. De door gedaagde 1 zelf samengestelde steekproef zou volgens afspraak een correcte afspiegeling moeten zijn van het totale bestand. De aangevallen uitspraak kan zodoende geen stand houden.

Anders dan appellant ziet de Raad het geding in hoger beroep niet beperkt tot de vraag of het door hem verrichte onderzoek toereikend is geweest. Met de hiervoor weergegeven overweging heeft de rechtbank, anders dan appellant kennelijk meent, niet de daarop betrekking hebbende beroepsgrond van gedaagde 1 op zodanige wijze verworpen dat deze in hoger beroep niet (meer) aan de orde kan komen.

Het geding spitst zich verder toe op de vraag of gedaagde 1 gezag uitoefent over de voor haar werkzame acteurs.

De opdrachten voor de rollenspelen worden door gedaagde 1 verworven. Gedaagde 1 selecteert voor de opdracht een bij haar ingeschreven, door haar geschikt geachte acteur. In de regel zijn de acteurs werkzaam tegen het door gedaagde 1 bepaalde, vaste tarief. De daadwerkelijke invulling van het programma wordt overgelaten aan het overleg tussen trainer en acteur. De eindverantwoordelijkheid ligt bij de trainer, de acteur vervult een ondersteunende rol. In een voorkomend geval levert hij een bijdrage aan het script, dat (uiteindelijk) door de trainer wordt vastgesteld. De rollenspellen staan ten dienste en vormen onderdeel van de trainingen. Het gaat om korte optredens die beogen bij de cursist een bepaald gedrag op te roepen. Een training dient daarom aan te sluiten bij de behoefte van die cursist. De acteur dient, als specialist in gedrag en de effecten daarvan, hierop te kunnen inspelen. Het vakmanschap van de acteur brengt met zich dat hij een belangrijke inbreng heeft in de wijze waarop het rollenspel vorm krijgt en de aard van het werk noopt tot een grote mate van professionele vrijheid en vergt een behoorlijke dosis flexibiliteit. Tijdens de werksituatie geeft gedaagde 1 geen aanwijzingen.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2004, RSV 2004, 215, USZ 2004, 194, is de Raad van oordeel dat de acteurs werkzaam zijn in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot gedaagde 1. Gedaagde 1 stelt immers in het kader van haar bedrijf de voor haar werkzame acteurs aan derden ter beschikking, waarbij de werknemer werkt onder toezicht en leiding van deze derden. De rollenspellen zijn immers dienstbaar aan de trainingen en presentaties waarvoor de eindverantwoordelijkheid bij de derden is gelegen. De rollenspellen beogen bepaalde gedragseffecten op te roepen en daarbij zijn doel van de training en presentatie en de behoefte van de cursisten van doorslaggevend belang. Zonder (de mogelijkheid tot) instructie is een geslaagde uitvoering van dergelijke opdrachten niet goed voorstelbaar. Daaraan doet niet af de aanzienlijke vrijheid die de acteur geniet bij daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden.

Naar vaste rechtspraak van de Raad doet hieraan evenmin af dat sommige acteurs beschikken over een zogenaamde zelfstandigheidsverklaring.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, behoudens de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van gedaagden 2 tot en met 5. Het beroep van gedaagde 1 zal de Raad ongegrond verklaren.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens in zoverre het beroep van gedaagden 2 tot en met 5 niet-ontvankelijk is verklaard;
Verklaart het beroep van gedaagde 1 ongegrond.

Gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x