Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT / CSV
x
LJN:
x
AS3626
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten van taxichauffeurs. Aanvullende premieheffing en boeteoplegging. Is er sprake van opzet of grove schuld? Schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2164 ALGEM, 02/5115 ALGEM en 02/6412 CSV




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij beroepschriften van 10 april 2002, 27 september 2002 en 18 december 2002 hebben prof. dr. P. Kavelaars en mr. E.B. Pechler, beiden werkzaam bij het Wetenschappelijk Bureau van Deloitte & Touche Belastingadviseurs te Rotterdam, als gemachtigden van appellante hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Rotterdam op 22 februari 2002, nummer 99/1986, 19 augustus 2002, nummer 99/107 en 15 november 2002, nummer 02/1277 tussen partijen gewezen uitspraken.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 11 november 2004, waar voor appellante zijn verschenen prof. dr. P. Kavelaars, voornoemd, en drs. J.J. Warnawa, werkzaam bij Warnawa, Burgman & Bol belastingkundigen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. D.A. Rusman, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Naar aanleiding van de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 11 maart 1996, gepubliceerd in RSV 1996/200, en het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 1998, nr. 300, heeft gedaagde besloten tot aanvullende premieheffing en boeteoplegging ten laste van appellante. In de aan de onderhavige gedingen ten grondslag liggende besluiten, welke gedaagde heeft genomen naar aanleiding van namens appellante ingediende bezwaarschriften, heeft gedaagde gehandhaafd de premienota’s
- 1993 tot en met 1997 d.d. 14 december 1998
- 1998  d.d. 9 december 1998
- 1998  d.d. 3 november 2000 en de boetenota’s
- 1993, vanaf 6 mei 1993 d.d. 28 december 1998
- 1994 tot en met 1997 idem
- 1998 d.d. 20 november 2000,
alsmede het besluit van 27 juli 1998, waarbij appellante premieplichtig werd geacht ter zake van de betalingen aan de als verplicht verzekerd aangemerkte heer [verzekerde].

Het namens appellante in hoger beroep gestelde laat zich als volgt samenvatten. Ter zake van de opgelegde boetes bestrijdt appellante dat sprake is van opzet dan wel grove schuld, aangezien sprake zou zijn van een pleitbaar standpunt. Voorts stelt appellante dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb 1951, 154; hierna: het EVRM).
Appellante bestrijdt voorts de verzekeringsplicht van [betrokkene] en van de overige taxichauffeurs met ingang van 1 januari 1998 dan wel met ingang van 1 april 1998. Verder is appellante van mening dat het premieloon tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad zal allereerst de premieheffing ter zake van de als verplicht verzekerd aangemerkte taxichauffeurs beoordelen, waarbij de Raad opmerkt dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat de arbeidsverhouding van [betrokkene] in relevante mate afweek van die van de overige taxichauffeurs, zodat het navolgende tevens voor de arbeidsverhouding van [betrokkene] heeft te gelden. In zijn reeds genoemde uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de voor appellante werkzame taxichauffeurs door gedaagde terecht als verplicht verzekerd zijn aangemerkt ingevolge artikel 5 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In dat kader zijn de chauffeurs niet als zelfstandigen aangemerkt, waarbij de Raad betekenis heeft toegekend aan het feit dat de chauffeurs niet beschikten over de benodigde taxivergunningen, zodat zij in dat opzicht volstrekt afhankelijk waren van appellante.

Appellante stelt zich op het standpunt dat de vergunning verlenende instantie met ingang van 1998 haar beleid heeft gewijzigd in dier voege dat verlening van de benodigde taxivergunningen aan de individuele taxichauffeurs mogelijk werd. Appellante stelt dat haar chauffeurs met ingang van 1998 voldeden aan de voor vergunningverlening gestelde eisen, hetgeen in het begin van 1999 heeft geresulteerd in afgifte van vergunningen. Gelet op het voorgaande, ziet de Raad geen aanleiding appellante te volgen in haar stelling dat reeds in 1998 geen sprake van verzekeringsplicht is. Aangezien de chauffeurs in 1998, evenals in de jaren daarvoor, reden op appellantes vergunning en ook overigens niet gebleken is van wezenlijke wijzigingen in de betreffende arbeidsverhoudingen, is de Raad van oordeel dat de chauffeurs in 1998 niet als zelfstandigen kunnen worden aangemerkt. Appellante is derhalve naar het oordeel van de Raad over de jaren tot en met 1998 terecht als premieplichtig werkgever aangemerkt. Met betrekking tot de hoogte van de vastgestelde premielonen heeft appellante in hoger beroep volstaan met verwijzing naar de dienaangaande door haar in eerste aanleg geformuleerde grieven, welke naar het oordeel van de Raad in de aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden zijn verworpen. De aangevallen uitspraken kunnen daarom, voorzover betrekking hebbende op de premiecorrecties over de jaren 1993 tot en met 1998, in rechte stand houden.

De Raad dient vervolgens te beoordelen of, ter zake van het niet volledig voldoen aan de op haar rustende verplichting tot het doen van loonopgave, aan appellante terecht boetenota’s ad 25% zijn opgelegd, gebaseerd op de kwalificatie opzet/grove schuld. Appellante heeft zulks betwist en gesteld dat sprake is van een zogeheten pleitbaar standpunt, op grond waarvan boeteoplegging achterwege dient te blijven.
De Raad stelt voorop dat een werkgever zich, op grond van vaste jurisprudentie van deze Raad, er in het algemeen bewust van zal moeten zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval van twijfel ligt bij de werkgever de verantwoordelijkheid ter zake informatie in te winnen bij het bestuursorgaan. Indien de werkgever zulks nalaat, neemt deze het risico onjuiste loonopgaven te doen. Het voorgaande laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen, waarin van opzet of grove schuld geen sprake is. Naar het oordeel van de Raad doet deze situatie zich in het onderhavige geval voor. Zoals reeds uit de meergenoemde uitspraak van de Raad van 11 maart 1996 blijkt en in de onderhavige zaak uitvoerig door appellante werd geadstrueerd, heeft appellante haar standpunt - dat zij over de verdiensten van de taxichauffeurs geen premies verschuldigd was - na grondige afweging en onderbouwing ingenomen. Appellante heeft stukken uit 1992 overgelegd van de Belastingdienst Ondernemingen Rotterdam, een inspecteur buitendienst van gedaagdes districtskantoor, twee adviesnota’s van juristen van gedaagdes voormalige administrateur en een advies van een advocaat van het kantoor van de Landsadvocaat. Naar het oordeel van de Raad bieden deze stukken voldoende basis voor het standpunt van appellante dat zij in 1992 mocht menen juist te hebben gehandeld. De Raad is evenwel van oordeel dat appellante dit standpunt na de uitspraak van de Raad van 11 maart 1996 niet langer in redelijkheid kon handhaven. De boetes over de jaren 1993 tot en met 1995 kunnen derhalve naar het oordeel van de Raad geen stand houden.

Met betrekking tot de boetes over de jaren 1996 en 1997 overweegt de Raad dat appellante terecht een beroep heeft gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De Raad vindt hierin aanleiding om de resterende boetes met 10% te matigen.

Al het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak van 22 februari 2002 en het bestreden besluit, voor zover deze betrekking hebben op de boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1997, geen stand kunnen houden. De aangevallen uitspraken van 19 augustus 2002 en 15 november 2002 houden wel stand.

De Raad heeft aanleiding gezien om, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien. De Raad herroept de boetenota’s over de jaren 1993, 1994 en 1995. De hoogte van de boete over 1996 wordt vastgesteld op fl. 51.932,70 (fl. 57.703,-- x 0.9) = € 23.566,03 en de hoogte van de boete over 1997 wordt vastgesteld op fl. 64.609,20 (fl. 71.788,-- x 0.9) = € 29.318,38.

Voorts heeft de Raad aanleiding gezien gedaagde te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep, begroot op € 1.288,-- ter zake van verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 22 februari 2002, alsmede het bestreden besluit, voorzover deze betrekking hebben op de boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1997;
Verklaart het bezwaar tegen de boetenota's over 1993 tot en met 1997 gegrond;
Herroept de boetenota’s over 1993, 1994 en 1995;
Stelt de boetenota's over 1996 en 1997 vast op € 23.566,03 respectievelijk € 29.318,38;
Verstaat dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
Bevestigt de aangevallen uitspraak van 22 februari 2002 voor het overige;
Bevestigt de aangevallen uitspraken van 19 augustus 2002 en 15 november 2002;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding in hoger beroep, begroot op € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het gestorte griffierecht van € 204,20 (fl. 450,--) in eerste aanleg en € 327,-- in hoger beroep vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en prof. mr. E. Aardema als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x