Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS3629
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de betreffende brief aan te merken als een bezwaarschrift tegen het aannemen van verzekeringsplicht?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1444 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij beroepschrift van 26 maart 2003 heeft mr. E.F. Gomes, advocaat te Bergen op Zoom, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 19 februari 2003, nummer 02/1140, tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 november 2004, waar namens appellante zijn verschenen haar directeur, [naam directeur] en [betrokkene], bijgestaan door mr. Gomes, voornoemd, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 26 oktober 1995 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat [betrokkene], voornoemd, verplicht verzekerd wordt geacht ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten ter zake van zijn werkzaamheden voor appellante en dat over de betalingen aan [betrokkene] premies verschuldigd zijn. Bij brief van 13 november 1995 heeft appellantes accountant medegedeeld dat appellante zich niet met voormeld besluit kan verenigen.

Vervolgens heeft gedaagde naar aanleiding van een bij appellante gehouden looncontrole correctienota’s over de jaren 1995 tot en met 1998 en boetenota’s over de jaren 1996 tot en met 1998 opgelegd ter zake van de betalingen aan [betrokkene].

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 1995 alsnog niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen de correctienota 1995 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank een proceskostenveroordeling uitgesproken en vergoeding van griffierecht bepaald. Appellante heeft deze uitspraak aangevochten, voorzover daarin haar bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond werd verklaard. Gedaagde heeft in de aangevallen uitspraak berust.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de brief van 13 november 1995 moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 26 oktober 1995, gezien de duidelijke bewoordingen, inhoudende dat appellante zich niet met het besluit kan verenigen. Bovendien bevat de brief een uitvoerige motivering van de daarin betrokken stelling dat [betrokkene] feitelijke zeggenschap in de onderneming van appellante heeft en niet onder gezag werkzaam is. Een strikte uitleg van de in de slotzin van de brief opgenomen aankondiging van een officieel bezwaarschrift, zoals door de rechtbank gegeven, geeft de Raad niet aan deze zin. De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover betrekking hebbende op het besluit van 26 oktober 1995, voor vernietiging in aanmerking.

Uit het voorgaande vloeit voort dat in de onderhavige procedure de vraag of [betrokkene] in de in geding zijnde jaren 1996 tot en met 1998 verplicht verzekerd was, ter toetsing voorligt. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. [Betrokkene] beschikte over 25% van de aandelen in appellante. De overige aandelen werden - middellijk - gehouden door appellantes directeur [naam directeur]. [Betrokkene] had als aandeelhouder geen doorslaggevende invloed in de algemene aandeelhoudersvergadering, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat hij werkzaam was in een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.

Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad van oordeel dat er in het onderhavige geval onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn gebleken voor het aanwezig achten van een zodanige uitzonderingssituatie.

In dit verband heeft appellante gewezen op een tussen [betrokkene] en [naam directeur] gemaakte afspraak, strekkende tot het creëren van gelijke zeggenschap in het bestuur van de onderneming. [betrokkene] heeft deze gelijke zeggenschap ter zitting van de Raad met voorbeelden geadstrueerd. Naar het oordeel van de Raad behoeft het feit de aandeelhouders bij de besluitvorming streven naar consensus niet uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheidene belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn dan in de door appellante beoogde of verwachte situatie, [betrokkene] zou worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening van de zijde van de besloten vennootschap door de invloed van haar meerderheidsaandeelhouder [naam directeur]. Het door appellante gestelde voornemen tot wijziging van de aandelenverhouding, in die zin dat [betrokkene] 50% van de aandelen zou verwerven, brengt naar het oordeel van de Raad niet mee dat reeds van een uitzonderingssituatie moet worden uitgegaan voordat het voornemen was geëffectueerd. Daarbij merkt de Raad nog op dat - zonder dat de zeggenschapsverhoudingen anderszins formeel zijn aangepast - aan het voornemen nimmer gevolg is gegeven en [betrokkene] eind 1998 zijn aandelen heeft verkocht. Uit de door appellante in het geding gebrachte koopakte blijkt niet dat [naam directeur] verplicht was om zijn aandelen (tot de helft) aan [betrokkene] te verkopen, nog daargelaten dat de uitvoering van de beweerdelijke intentie in de eigen stellingen van appellante afhankelijk was van de toekomstige onzekere gebeurtenis dat de aan [betrokkene] toevallende winst hem tot de uitbreiding van zijn aandelenbezit in staat zou stellen. De Raad ziet voorts geen aanleiding een uitzonderingssituatie aan te nemen op grond van de gestelde financiële belangen van [betrokkene] in appellante, aangezien [betrokkene] aan deze belangen evenmin doorslaggevende zeggenschap in appellantes besluitvorming kon ontlenen.

Met betrekking tot appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen, waarin de Raad zich geheel kan vinden. Opmerking verdient in dat verband mede, dat ook overigens niet aannemelijk is geworden, dat door gedaagde in gevallen gelijk die van appellante een beleid zou worden gevoerd overeenkomstig de behandeling, welke door appellante te dezen worden bepleit.

Met betrekking tot appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen, waarin de Raad zich geheel kan vinden. Een schriftelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging dat [betrokkene] niet verplicht verzekerd zou zijn, is nimmer door gedaagde gedaan.

Gelet op het voorgaande, alsmede gezien het feit dat appellante de juistheid van de in de in hoger beroep nog in geding zijnde correctienota’s over de jaren 1996 tot en met 1998 neergelegde premiebedragen niet heeft betwist, ziet de Raad geen aanleiding die correctienota’s voor onjuist te houden.

Tot slot onderschrijft de Raad het aan de boetenota’s ten grondslag gelegde standpunt van gedaagde alsmede hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Nu gedaagde middels het besluit van 26 oktober 1995 heeft medegedeeld dat over de betalingen aan [betrokkene] premies verschuldigd zijn en gedaagde niet van dat besluit is teruggekomen, ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde het handelen van appellante ten onrechte heeft gekwalificeerd als opzet/grove schuld.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 58,60 aan reiskosten, in totaal € 702,60.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de correctienota over 1995 en de veroordeling in de proceskosten en de vergoeding van griffierecht;
Verklaart het in eerste aanleg ingestelde beroep, behoudens betreffende de correctienota over 1995, ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 702,60 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 348,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G. van de Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en prof. mr. E. Aardema als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2005.

(get.) G. van de Wiel.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x