Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS4552
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Een voormalig werknemer verricht als zelfstandige (dezelfde) werkzaamheden. De arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer is in essentie niet gewijzigd.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/2831 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 24 juli 2003 (met bijlage) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 28 april 2003, kenmerk 02/240, tussen partijen gewezen uitspraak.

Bij schrijven van 31 oktober 2003 (met bijlagen) heeft mr. G.P. Poiesz, advocaat te Beverwijk, van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 december 2004, waar voor appellant is verschenen C. Groenewegen, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Poiesz, voornoemd, en [P. K.], controller bij gedaagde.




II. MOTIVERING


Gedaagde is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de verhuur van speciaal materieel ten behoeve van voornamelijk de bouwnijverheid. Bij een op 18 en 19 april 2001 uitgevoerde looncontrole bij gedaagde is gebleken dat [naam werknemer] (hierna: [naam werknemer]) uit dienst is getreden op 31 oktober 1997. Vanaf 1 november 1997 heeft [naam werknemer] als zelfstandige onderhoudswerkzaamheden voor gedaagde verricht en door middel van facturen deze werkzaamheden bij gedaagde in rekening gebracht. Naar aanleiding hiervan heeft appellant bij besluiten van 16 juli 2001 en 23 juli 2001 over de jaren 1997 tot en met 1999 correctienota’s en boetenota’s opgelegd. Aan die besluiten ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat [naam werknemer] vanaf 1 november 1997 tot en met 1999 voor gedaagde werkzaam is geweest in een arbeidsverhouding die ingevolge artikel 3 van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet verplichte verzekering ingevolge die wetten met zich brengt. Bij besluit van 19 december 2001 heeft appellant deze besluiten na bezwaar gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat vaststaat dat [naam werknemer] sedert november 1997 nog steeds werkzaamheden bij gedaagde verrichtte die niet wezenlijk anders waren dan daarvoor. Hoewel dat in beginsel een sterke aanwijzing oplevert voor het voortbestaan van de privaatrechtelijke dienstbetrekking, heeft de rechtbank gelet op de zich hier voordoende feiten en omstandigheden voldoende aanleiding gezien om van deze aanname af te wijken. Van belang daarbij heeft de rechtbank geacht dat [naam werknemer] zich reeds voor november 1997 als eenmansbedrijf bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven, hij een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten, hij substantiële investeringen heeft gedaan en hij meerdere opdrachtgevers had. De rechtbank heeft hetgeen appellant hiertegenover heeft gesteld onvoldoende geacht en het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, indien er sprake is van zelfstandigheid, er geen sprake meer kan zijn van een gezagsverhouding en derhalve geen sprake meer kan zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Naar de mening van appellant is dit onjuist aangezien de verzekeringsplicht van [naam werknemer] is gebaseerd op artikel 3 van voornoemde wetten, waarbij eventueel zelfstandig ondernemerschap niet relevant is.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of appellant terecht heeft aangenomen dat tussen [naam werknemer] en gedaagde een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten heeft meegebracht. Gelet op het namens gedaagde in hoger beroep ingenomen standpunt zijn de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting en de loonbetalingsverplichting niet langer meer in geding en spitst het geding zich toe op het antwoord op de vraag of [naam werknemer] zijn werkzaamheden heeft verricht onder gezag van gedaagde.

De Raad overweegt als volgt.

[naam werknemer] heeft voor gedaagde werkzaamheden verricht en onbetwist is dat hij tot 1 november 1997 deze werkzaamheden bij gedaagde heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. Vanaf 1 november 1997 worden de betalingen van de door [naam werknemer] verrichtte werkzaamheden op declaratiebasis gedaan aan de eenmanszaak
[naam werknemer]. Vanaf 1 november 1997 zijn op die betalingen geen premies als voorzien in de sociale werknemersverzekeringswetten door gedaagde ingehouden.

De Raad is van oordeel dat in een geval als het onderhavige waarin een persoon die tot een bepaalde datum onmiskenbaar werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekkingen na die datum voor hetzelfde bedrijf werkzaamheden is blijven verrichten, slechts dan kan worden aanvaard dat na die datum niet langer sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, indien ondubbelzinnig blijkt dat na die datum aan een of meer vereisten voor het aannemen van een zodanige dienstbetrekking niet meer wordt voldaan. In weerwil van hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft opgemerkt is de Raad van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. Noch de oprichting van de eenmanszaak [naam werknemer] met de nodige daarbij komende randvoorwaarden, noch de intentie om in het vervolg als zelfstandig ondernemer werkzaam te zijn, betekent dat de arbeidsrelatie tussen [werknemer] en gedaagde na 1 november 1997 in essentie is gewijzigd.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x