Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS4814
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-01-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verplichte verzekering ingevolge de Zfw. De herhaalde standpuntwijziging verdient geen schoonheidsprijs, maar is niet in strijd met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1765 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij op 14 mei 2003 aangevuld beroepschrift heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 28 februari 2003, reg.nr. 02/1924, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. A. van Keulen, belastingadviseur bij Coloniae Belastingadviseurs een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 december 2004 waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.K. Dik en mr. D.B. Smaalders, beiden werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Blijkens het besluit op bezwaar is appellant van oordeel dat de verdiensten van gedaagdes werknemer [naam werknemer] over de jaren 1996 tot en met 1998 beneden het in artikel 3, eerste lid, van de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) bedoelde bedrag (hierna: Zfw-loongrens) lagen. Derhalve was deze werknemer volgens appellant verplicht verzekerd ingevolge de Zfw en diende gedaagde terzake premies in te houden en af te dragen. Gedaagde heeft tegen die beslissing beroep bij de rechtbank ingesteld, voorzover het de jaren 1996 en 1997 betrof.
In het verweerschrift bij de rechtbank heeft appellant medegedeeld dat de bestreden beslissing voor het jaar 1997 niet werd gehandhaafd aangezien de verdiensten van de werknemer toen boven de Zfw-loongrens lagen. Appellant heeft de rechtbank verzocht de bestreden beslissing over het jaar 1997 te vernietigen. Bij nader verweerschrift, dat vier dagen voor de zitting bij de rechtbank is ingekomen, heeft appellant gesteld toch zijn standpunt te handhaven dat er ook over 1997 sprake was van verzekerings- en premieplicht.

De rechtbank heeft, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dit het jaar 1997 betrof en, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de premiecorrectie voor het jaar 1997 ingetrokken. Daarbij heeft zij overwogen dat de herhaalde standpuntwijziging van appellant in strijd is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en dat om die reden het nader verweerschrift van appellant niet bij de beoordeling van de zaak betrokken kon worden.

De Raad constateert dat het geschil nog slechts betreft het jaar 1997 en meer in het bijzonder de vraag of appellant heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel en overweegt in dit verband als volgt.

Het op de peildatum 1 november 1996 met toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Zfw vastgestelde brutoloon per vier weken inclusief vakantiegeld van betrokkene lag over het jaar 1997 onder de Zfw-loongrens. Dit wordt niet anders wanneer naast dit brutoloon ook de feestdagentoeslag van (destijds) f 600,-- in aanmerking wordt genomen. Appellant heeft dus terecht en op goede gronden in het bestreden besluit de premiecorrectie over 1997 gehandhaafd.

De processuele houding van appellant gedurende de daarop volgende beroepsprocedure in eerste aanleg verdient zeker niet de schoonheidsprijs. Naar het oordeel van de Raad kan echter niet gezegd worden dat daarmee de bestreden beslissing in strijd met de rechtszekerheid of het vertrouwensbeginsel moet worden geacht. Immers, na afronding van de besluitvorming is hangende het geding in eerste aanleg in het verweerschrift een onjuist, nadien hersteld, standpunt door gedaagde ingenomen. Dat in het verweerschrift ingenomen standpunt is in strijd met de wet. Blijkens het inleidend beroepschrift was dat gedaagde ook duidelijk, waar zij doet blijken goed weet te hebben dat de relevante peildatum 1 november 1996 is. Gedaagde heeft niet gesteld dat het in het verweerschrift in eerste aanleg ingenomen, onjuiste, standpunt van haar gedragsbepalend is geweest. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte hierin aanleiding gevonden om het bestreden besluit te vernietigen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het inleidend beroep ongegrond verklaren.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x