Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AS8886
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van boetenota’s over de jaren in geding wegens het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 10, tweede lid, van de CSV. Betrokkene heeft niet de juiste loonopgaven ingezonden.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/2801 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is mr. E. Hilders, belastingadviseur bij Vink & Partners te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 25 april 2003, met kenmerk 02-323, gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt vast dat gelet op de uitspraak van de Raad van 27 november 2003, met kenmerk 01/4143, 01/4144, 01/4145 ALGEM, inmiddels rechtens is komen vast te staan dat de heren [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot appellante in de periode hier in geding en dat appellante derhalve premieplichtig is.
Blijkens een door gedaagde gehouden looncontrole over de jaren 1996 tot en met 1999 is komen vast te staan dat appellante de verplichtingen van artikel 10, lid 2 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) niet is nagekomen, wegens het niet inzenden van de juiste loonopgaven.
Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde correctie- en boetenota’s opgelegd over de jaren 1996 tot en met 1999 en is een verzuim geregistreerd.
Bij besluit op bezwaar van 14 januari 2002 heeft gedaagde de bezwaren tegen de correctienota’s van 29 september 2000 en boetenota’s van 9 oktober 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen gemaakte beroep bij uitspraak van 25 april 2003 ongegrond verklaard.

Voor een weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank.

In hoger beroep is nog slechts in geschil het antwoord op de vraag of gedaagde terecht op 9 oktober 2000 boetenota’s over de jaren 1996 tot en met 1999 heeft opgelegd wegens het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 10, lid 2 van de CSV.

De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid en neemt deze over.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen.

De Raad merkt dienaangaande nog het volgende op. Reeds bij besluit van 4 oktober 1996 heeft gedaagdes rechtsvoorgangster aan appellante bericht dat de heren [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3] verplicht verzekerd zijn, en dat appellante derhalve premies verschuldigd is over de aan de heren uitbetaalde lonen. Dit standpunt is bij besluit van 5 december 1997 herhaald. Van een pleitbaar standpunt is de Raad derhalve niet gebleken.

Voorzover er nog enige twijfel bij appellante bestond omtrent de verzekeringsplicht van dat de heren [werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3], voegt de Raad het volgende toe. Een werkgever zal zich er in het algemeen bewust van moeten zijn welke loonopgaven hij moet doen. In geval van twijfel of onduidelijkheid ligt bij de werkgever echter de verantwoordelijkheid daaromtrent informatie in te winnen bij gedaagde. Appellante heeft zulks niet gedaan. Gelet op deze omstandigheid heeft gedaagde terecht opzet en/of grove schuld aangenomen.

Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x