Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT1915
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek tot het verkrijgen van premievrijstelling dan wel premiereductie voor seizoenarbeiders die in het onderhavige bedrijf tijdelijk te werk waren gesteld.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/793 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift van 25 maart 2003 ingediende gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 januari 2003, kenmerk 02/343.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jager, en waar gedaagde zich, met kennisgeving, niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante drijft een vollegrondsgroentebedrijf. Ten behoeve van de aspergeoogst heeft zij, evenals in voorgaande jaren, in 1998 en 1999 tijdelijke medewerkers aangetrokken.
Bij besluit van 10 mei 2000 heeft gedaagde appellante onder meer over de jaren 1998 en 1999 een premienota opgelegd ter zake van de lonen die appellante aan een aantal tijdelijke medewerkers heeft betaald. Het door appellante tegen die nota gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 1 maart 2002 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij voor de periode tot 1 maart 1999 de Wet premieregime bij marginale arbeid (hierna: PMA) en het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit en voor de periode ingaande 1 maart 1999 het Besluit gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch Bedrijf van het Lisv van 11 april 2000, in werking getreden per 1 maart 1999, in samenhang met het Besluit melding sociale verzekeringen van 30 mei 1989 in acht genomen.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat appellante ten aanzien van de premie over de jaren 1998 en 1999 nog slechts als grief had dat zij problemen had met het verkrijgen van tewerkstellingsvergunningen en met sociaal-fiscale nummers (hierna: sofinummers) en dat zij als gevolg daarvan in een aantal gevallen geen volledige aanvragen om vrijstelling kon indienen en geen volledige meldingen kon doen. De rechtbank heeft erop gewezen dat artikel 3, tweede lid, van de PMA en artikel 1 van het Besluit melding sociale verzekeringen bepalen dat de aanvraag om vrijstelling dan wel de melding sociale verzekeringen in ieder geval het sofinummer van de betrokken werknemer dient te bevatten. De door appellante geschetste omstandigheden achtte de rechtbank niet zodanig bijzonder dat strikte toepassing van de genoemde bepalingen in die mate in strijd zou komen met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat haar omstandigheden wel dermate bijzonder zijn dat strikte toepassing van de relevante bepalingen jegens haar niet aan de orde kan zijn. Appellante heeft zich naar vermogen ingespannen om sofinummers te verkrijgen en daartoe onder meer de Belastingdienst benaderd, die echter geen sofinummers heeft verstrekt. Op grond daarvan heeft gedaagde de aanvragen tot het verlenen van premievrijstelling gepasseerd. Voorts had appellante problemen rond het verkrijgen van tewerkstellingsvergunningen voor werknemers van buiten Nederland en de Europese Economische Ruimte (EER). Zonder tewerkstellingsvergunning verstrekt de Belastingdienst geen sofinummers. Overigens zijn de meeste werknemers die in het besluit op bezwaar worden genoemd afkomstig van binnen de EER en is het vaak onmogelijk de sofinummers tijdig te achterhalen. Omdat appellante niet tijdig aan haar administratieve verplichtingen kon voldoen, was zij aangewezen op het doen van een onvolledige opgave. Zij is van mening dat haar geen blaam treft en dat de voorschriften jegens haar geen rechtsplicht in het leven kunnen roepen. Nu de verplichting tot het vermelden van een sofinummer vooral is ingegeven door uitvoeringstechnische belangen, is er bovendien volgens appellante geen absolute noodzaak voor de vermelding van een sofinummer. Appellante heeft ten slotte gewezen op de bijzondere omstandigheden waaronder zij haar bedrijf moet voeren en op de noodzaak om mensen van buiten Nederland in dienst te nemen, nu Nederlanders het werk dat appellante aanbiedt veelal niet ambiŽren.

Gedaagde stelt daar in het verweerschrift tegenover dat de onderhavige bepalingen dwingendrechtelijk van aard zijn. Dat appellante naar zij stelt niet aan haar administratieve verplichtingen heeft kunnen voldoen, kan gedaagde niet worden tegengeworpen. Het niet kunnen verkrijgen van sofinummers valt binnen de risicosfeer van de betrokken werkgever. Gedaagde onderschrijft de uitspraak van de rechtbank.
De Raad heeft in de in hoger beroep aangevoerde gronden geen aanleiding gevonden om de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Hiertoe overweegt hij als volgt.

Appellante heeft gepoogd premievrijstelling dan wel premiereductie te verkrijgen voor seizoenarbeiders die zij in 1998 en 1999 tijdelijk te werk heeft gesteld. Vaststaat dat zij niet aan alle daarvoor geldende voorwaarden heeft voldaan. Met name is zij er niet in geslaagd gedaagde tijdig sofinummers van de tewerkgestelde seizoenarbeiders te verschaffen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot ongegrondverklaring van het beroep van appellante hebben geleid. De Raad miskent niet de problemen waarmee appellante werd geconfronteerd bij het aantrekken van geschikte arbeidskrachten voor het seizoenswerk in haar bedrijf. Deze gaan echter niet uit boven het normale bedrijfsrisico van een agrarisch bedrijf als dat van appellante. De omstandigheden waarin appellante in 1998 en 1999 verkeerde, waren dan ook niet van dien aard dat deze gedaagde hadden moeten nopen de geldende dwingendrechtelijke voorschriften opzij te zetten. De Raad tekent daarbij aan dat deze voorschriften een essentiŽle functie voor de controle op de juiste uitvoering van de desbetreffende wet- en regelgeving vervullen en aldus een verderstrekkende betekenis hebben dan louter uitvoeringstechnische voorschriften, zoals appellante heeft betoogd.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x