Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT2028
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Directeur-aandeelhouder van de vennootschap. Is terecht aangenomen dat tussen betrokkenen en gedaagde een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 of 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten meebracht?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2959 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 3 september 2003 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ís-Gravenhage op 13 mei 2003, kenmerk 02/3004, tussen partijen gewezen uitspraak.

Namens gedaagde is van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari 2005, waar voor appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen L.E. Willemen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door [naam directeur], directeur, bijgestaan door drs. J.M. de Vreede, werkzaam bij Ernst & Young ís-Gravenhage.




II. MOTIVERING


Gedaagde is op 15 oktober 1990 opgericht en heeft ten doel het uitoefenen van een accountants- en belastingconsulentenpraktijk. Sedert 1 januari 2000 zijn de aandelen voor 28,57% in bezit van [naam beheer B.V.], een beheersmaatschappij waarvan [naam directeur] (hierna: [naam directeur]) enig aandeelhouder is, voor 35,79% in het bezit van [naam Holdingmaatschappij], met [naam enig aandeelhouder] (hierna: [naam enig aandeelhouder]) als enig aandeelhouder, voor 17,86% in het bezit van [naam Holding B.V.] met [naam enig aandeelhouder 2] (hierna: [enig aandeelhouder 2]) als enig aandeelhouder en voor 17,86% in het bezit van [naam Holding B.V. 2] met [enig aandeelhouder 3] (hierna: [enig aandeelhouder 3]) als enig aandeelhouder. Alle aandeelhouders zijn bestuurders in de onderneming en ontvangen een beloning via hun persoonlijke holding. Met ingang van 29 mei 2002 heeft een statutenwijziging plaatsgevonden.

Appellant heeft bij het bestreden besluit gehandhaafd zijn op voormelde gegevens gebaseerde standpunt, dat [naam directeur], [naam enig aandeelhouder], [enig aandeelhouder 2] en [enig aandeelhouder 3] (hierna: betrokkenen) voor gedaagde werkzaam zijn primair in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van deze wetten, in samenhang met artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655 (hierna: het KB).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 23 april 1998, gepubliceerd in RSV 1999/27 en van 8 april 1999, gepubliceerd in RSV 1999/208, overwogen dat betrokkenen, die onderling een verdeling van bestuurstaken zijn overeengekomen, gezamenlijk het ondernemingsbeleid bepaalden. De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat de wijze van samenwerking tussen betrokkenen niet duidt op de aanwezigheid van een gezagsrelatie, maar veeleer dient te worden beschouwd als een vorm van gezamenlijk ondernemerschap. Tevens meent de rechtbank voor haar oordeel steun te vinden in de, naar aanleiding van het door appellant ingenomen standpunt de verzekeringsplicht betreffende, statutenwijziging per 29 mei 2002.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat er sprake is van gezamenlijk ondernemerschap. Naar de mening van appellant is daarvoor meer vereist dan alleen de bedoeling van partijen tot het gezamenlijk ondernemen. Onder verwijzing naar ís Raads jurisprudentie licht appellant toe dat een dergelijke situatie ook daadwerkelijk dient te zijn bereikt, maar dat daar - gelet op de aandelenverhouding - in dit geval geen sprake van is. Ter zitting van de Raad heeft appellant, anders dan in zijn aanvullend beroepschrift betoogd, het geding beperkt tot het antwoord op de vraag of er sprake is van verzekeringsplicht voor betrokkenen in de periode 1 januari 2000 tot 29 mei 2002, omdat appellant na die datum geen verzekeringsplicht meer aanwezig acht.

In dit geding dient derhalve de vraag te worden beantwoord of appellant terecht heeft aangenomen dat tussen betrokkenen en gedaagde in de periode 1 januari 2000 tot 29 mei 2002 een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering primair op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op grond van artikel 5 van die wetten, juncto artikel 5 van het KB heeft meegebracht. In het bijzonder spitst ook het geding in hoger beroep zich toe op het antwoord op de vraag of betrokkenen hun werkzaamheden hebben verricht onder gezag van gedaagde.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad kan zich niet verenigen met hetgeen de rechtbank met betrekking tot de hierboven geformuleerde vraag heeft overwogen. Ten aanzien van de voorwaarde van het bestaan van een gezagsverhouding benadrukt de Raad dat, indien een directeur/ aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende stem heeft bij de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders, is de Raad van oordeel dat er onvoldoende materiŽle aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie in het onderhavige geval aanwezig te achten. Zulk een omstandigheid ziet de Raad niet in de specifieke kennis en ervaring van betrokkenen, dan wel in de notulen van de maandelijkse directievergaderingen. De wijze van samenwerking binnen de onderneming sluit niet uit dat in een conflictsituatie waarin de onderscheidene belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn, ieder van de betrokkenen tegen zijn wil ontslagen kan worden.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat een situatie als in zijn uitspraak gepubliceerd in RSV 1999/208, waarbij de vennootschap een faciliterende rol vervulde voor een aantal, niet over aandelen beschikkende, medische specialisten, hier niet aan de orde is. Evenmin ziet de Raad overeenkomsten die in voor gedaagde gunstige zin van doorslaggevende betekenis kunnen zijn in de uitspraak gepubliceerd in RSV 1999/27. In dat geval was sprake van een reeds bestaande gezamenlijke onderneming met een gelijke verdeling van de aandelen onder de vier directeuren aandeelhouders. Op enig moment heeft die onderneming zich uitgebreid met een vijfde directeur aandeelhouder. De Raad heeft toen als oordeel uitgesproken dat ook voor de periode waarin nog geen sprake was van een gelijke verdeling van de aandelen tussen de vijf aandeelhouders er gelet op de omstandigheden van dat geval sprake was van een gezamenlijke onderneming.

Aangezien er naar het oordeel van de Raad tevens sprake is van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en een loonbetalingsverplichting leidt dit tot de conclusie dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en daarmede van verzekeringsplicht in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x