Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT2113
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplicht? Bedrijfsovergang. Betrokkenen hadden ieder een minderheidsbelang en konden worden geconfronteerd met een schorsing dan wel ontslag. Gezagsverhouding.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5787 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.A. Visscher, belastingadviseur bij de Tamek groep te Meppel, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 13 oktober 2003 onder kenmerk 02/1097 door de rechtbank Zwolle gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeuren [directeur 1] en [directeur 2], bijgestaan door hun gemachtigde mr. J. A. Visscher, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Vries, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.



II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante houdt zich onder meer bezig met de exploitatie van een transport-, expeditie- en opslagbedrijf. Enig aandeelhoudster van appellante is [naam Holding B.V.], van welke vennootschap sedert de zomer van het jaar 2000 de aandelen - middellijk - voor 40% worden gehouden door [naam aandeelhouder], voor 30% door [directeur 1] en voor 30% door [directeur 2] [naam vader en zoon] zijn vader en zoon. Op 21 augustus 2000 hebben de aandeelhouders een overeenkomst gesloten waarbij [naam vader en zoon] per 1 september 2000 tot statutair directeur van de vennootschappen zijn benoemd onder vaststelling van een arbeidsbeloning. Voorts zijn afspraken opgenomen met betrekking tot het bepalen van het beleid binnen de vennootschappen alsmede afspraken inzake het nemen van besluiten over een aantal onderwerpen en de onderlinge verkoop van aandelen, zulks in afwijking van het bepaalde in de statuten.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat vanaf 1 september 2000 sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de heren [naam vader en zoon] en appellante, en dat zij dan ook verplicht verzekerd zijn ingevolge artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten. Gedaagde heeft dat standpunt neergelegd in zijn besluit van 5 maart 2002, welk besluit hij heeft gehandhaafd bij het besluit van 5 september 2002.

In beroep tegen dat besluit heeft appellante gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Zij heeft aangevoerd dat de heren [naam vader en zoon], afkomstig uit de transportwereld, vanuit het verleden betrokken waren bij appellante en in 2000 kans zagen de onderneming “terug” te kopen. Omdat zij niet in staat waren deze koop volledig te financieren, hebben zij [naam aandeelhouder] bereid gevonden als financier op te treden. Het bedrijf wordt materieel uitgeoefend door de heren [naam vader en zoon] als gezamenlijk ondernemers en zonder inmenging van anderen. Zij bepalen tezamen het beleid van de onderneming, nemen tezamen alle beslissingen en treden op als eenheid, waarbij zij elkaar blindelings steunen. Gelet hierop is onvrijwillig ontslag niet mogelijk omdat voor ontslag van de één steeds instemming van de ander nodig is, welke instemming nimmer zal worden gegeven nu vader en zoon steeds als eenheid optreden.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van die uitspraak bestreden. Zij verwijst naar de in beroep ingediende gronden. Voorts stelt zij dat op termijn sprake is van een bedrijfsovergang nu de heren [naam vader en zoon] op 9 oktober 2003 een optie hebben verkregen om op een door hen te bepalen moment de aandelen van [naam aandeelhouder] te kopen tegen de nominale waarde. Onder deze omstandigheden kan verzekeringsplicht niet aan de orde zijn. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de inspecteur van gedaagde primair het standpunt heeft ingenomen dat er geen sprake was van verzekeringsplicht zodat appellante hierop mocht vertrouwen. Het achteraf en met terugwerkende kracht innemen van een ander standpunt door gedaagde is in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de heren [naam vader en zoon] vanaf 1 september 2000 voor appellante werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, welke verzekeringsplicht meebracht.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen is in situaties als de onderhavige voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking - en in het bijzonder voor het bestaan van een gezagsverhouding - van betekenis of en in hoeverre een directeur kan worden geschorst en ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: ava). Indien deze bevoegdheid bestaat moet, behoudens in zeer bijzondere gevallen, worden aangenomen dat de directeur kan worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening.

Vaststaat dat de heren [naam vader en zoon] in verband met het minderheidsbelang van elk afzonderlijk in de ava konden worden geconfronteerd met schorsing dan wel ontslag. Dit gegeven leidt ertoe dat in beginsel dient te worden aangenomen dat betrokkenen in een gezagsverhouding tot appellante werkzaam waren.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of in het onderhavige geval sprake is van als zeer bijzonder te kwalificeren feiten en omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is te achten dat gezagsuitoefening kon plaatsvinden en waarin gezegd moet worden dat er sprake is van gezamenlijk ondernemerschap door betrokkenen.

Naar het oordeel van de Raad zijn er in het onderhavige geval wel enige aanknopingspunten voor gezamenlijk ondernemerschap van de heren [naam vader en zoon] - zoals de omstandigheid dat het hier gaat om de terugkoop van een oorspronkelijk familiebedrijf door vader en zoon alsmede de omstandigheid dat [naam aandeelhouder] zich in de praktijk uitsluitend als financier heeft opgesteld - maar de Raad kent hieraan toch geen doorslaggevende betekenis toe. Immers, in weerwil van het voorgaande en ondanks de intenties van de heren [naam vader en zoon], bestond (en bestaat) voor beiden geen garantie dat de ava geen voor (een van) hen onwelgevallige besluiten zou nemen. Voorts heeft [naam aandeelhouder] tot op heden niet alleen een juridisch sterke positie in de ava maar is hij ook eigenaar van het bedrijfspand en was het, blijkens de aandeelhoudersovereenkomst van 21 augustus 2000, de bedoeling hem een doorslaggevende stem te geven bij aanzienlijke investeringsbeslissingen en hem het recht gegeven het beleid binnen de vennootschap te gaan bepalen indien blijkt dat de onderneming niet aan haar verplichtingen kan voldoen dan wel geen positief resultaat kan bereiken. Uit de ter terechtzitting overgelegde aandeelhoudersovereenkomst van 9 oktober 2003 is gebleken dat deze situatie in elk geval is voorzien tot 1 september 2006. Voorts is gebleken dat van de koopoptie op de aandelen van [naam aandeelhouder] tot op heden geen gebruik is gemaakt door de heren [naam vader en zoon]. Er kan dan ook niet worden gesproken van een voorziene bedrijfsovergang, temeer niet wanneer in aanmerking wordt genomen dat het geding betrekking heeft op de periode van 1 september 2000 tot 5 september 2002.

Het door appellante eerst in hoger beroep gedane beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen nu niet is gebleken van schriftelijke ondubbelzinnige en ongeclausuleerde uitlatingen noch van daaraan gelijk te stellen gedragingen van de kant van gedaagde.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond heeft geacht.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x