Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT2946
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is geen sprake van rechtmatig verblijf of een aan een rechtmatig verblijf gelijk gestelde positie. Het besluit betreft uitsluitend de beŽindiging van de verplichte verzekering met terugwerkende kracht. Het besluit of recht bestaat op ZW-uitkering moet nog worden genomen.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4196 ALGEM en 04/6123 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 27 april 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 25 oktober 2000, waarbij appellant is medegedeeld dat hij met ingang van 1 juli 1998 niet langer verplicht verzekerd is voor de sociale werknemersverzekeringswetten.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 25 juli 2002, registratienummer 01/1187, het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is bij gemachtigde mr. J. Bosua, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 13 september 2002 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 1 oktober 2002, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Theesing, advocaat te Rotterdam, en waar voor gedaagde is verschenen W. Prins, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling ter zitting is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede het onderzoek is heropend.

Bij brief van 11 augustus 2004 heeft gedaagde een vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord.

Bij brief van 25 augustus 2004 zijn namens appellant nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 21 september 2004 heeft gedaagde de Raad doen toekomen zijn besluit van 21 september 2004, waarbij voormeld besluit van 27 april 2001 in zoverre is gewijzigd dat de verplichte verzekering van appellant voor de sociale werknemersverzekeringswetten is beŽindigd per 26 oktober 2000.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 januari 2005, waar appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen mr. R.S. Rabarison, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Naar aanleiding van een arbeidsongeschiktheidsmelding, gedaan door de werkgever van appellant op 6 oktober 2000, heeft gedaagde onderzocht of appellant als verplicht verzekerde in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten kan worden beschouwd. Op de grond dat appellant hier te lande geen rechtmatig verblijf houdt of in een aan een rechtmatig verblijf gelijk gestelde positie verkeert, heeft gedaagde bij besluit van 25 oktober 2000 de verplichte verzekering van appellant met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998 beŽindigd.

Laatstvermeld besluit heeft gedaagde gehandhaafd bij zijn besluit van 27 april 2001, welk besluit de rechtbank op haar beurt bij de aangevallen uitspraak in stand heeft gelaten. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op Ďs Raads uitspraak van 26 juni 2001, 00/4666, gepubliceerd in AB 2001, 276.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 15 juli 2004 heeft de Raad gedaagde gevraagd of Ďs Raads uitspraak van 4 juli 2003, 01/1337, gepubliceerd in AB 2003, 362, consequenties heeft voor de zaak van appellant.
Bij brief van 11 augustus 2004 heeft gedaagde deze vraag bevestigend beantwoord, waarna gedaagde bij besluit van 21 september 2004 de verzekering van appellant voor de sociale werknemersverzekeringswetten heeft beŽindigd per 26 oktober 2000.

De Raad houdt het ervoor dat met het besluit van 21 september 2004 niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. Dit betekent dat op grond van artikel 6:24, eerste lid, in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het hoger beroep van appellant geacht moet worden mede te zijn gericht tegen dit besluit. Voorts moet worden vastgesteld dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 27 april 2001. Appellant dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn daartegen gerichte hoger beroep.

Ingaande op de beroepsgronden van appellant overweegt de Raad met betrekking tot het besluit van 21 september 2004 het volgende.

Met de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad is gegeven dat appellants beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en zijn beroep op Besluit 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije van 19 september 1980 moet falen. De Raad volstaat te dezen met een verwijzing naar deze uitspraak. Uit deze uitspraak volgt tevens dat het beroep van appellant op het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid faalt, nu dit beroep in essentie eveneens betreft een gestelde ongelijke behandeling. Met betrekking tot appellants beroep op het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand overweegt de Raad dat, voorzover dit verdrag al ziet op aanspraken op ziekengeld, het besluit van 21 september 2004 hierop geen betrekking heeft. Dit besluit betreft uitsluitend de beŽindiging van appellants verzekering per 26 oktober 2000 en ziet niet op zijn aanspraak op een uitkering krachtens de Ziektewet per 6 oktober 2000. Naar ter zitting van de zijde van gedaagde is medegedeeld moet hierover nog een besluit worden genomen.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellant tegen het besluit van 21 september 2004 ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde op voet van artikel 8: 75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op Ä 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 21 september 2004 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van Ä 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x