Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT3067
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Zetschippers.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/6392 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 29 november 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen de premiecorrectienota’s van 18 februari 2002 over de jaren 1998 tot en met 2000 en de boetenota van 25 februari 2002 over het jaar 2000. Daaraan ligt ten grondslag verzekeringsplicht op basis van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten voor een zevental ten behoeve van appellant werkzame zetschippers.

De rechtbank Leeuwarden heeft op 21 november 2003 onder kenmerk 03/4 het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. C.M. IJsselstein, advocaat te Capelle aan den IJssel, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. IJsselstein, terwijl gedaagde zich met voorafgaand schriftelijk bericht niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft een zeilcharterbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. In de in geding zijnde jaren was hij zowel eigenaar als in de regel zelf schipper van het zeilschip ‘[naam zeilschip]’, waarmee hij groepen personen voor recreatieve doeleinden vervoerde. Wanneer appellant soms om persoonlijke redenen verhinderd was de tochten te maken putte hij uit een select gezelschap van een zevental zetschippers om als met de bedrijfsvoering van een charterschip bekend zijnde schipper tegen vergoeding de vaartochten over te nemen.

In geschil is de vraag of de ingeschakelde zetschippers in de jaren 1998 tot en met 2000 ten behoeve van appellant in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn geweest en of het verschuldigd zijn van premies en boete voor die schippers terecht is.

De rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en daartoe overwogen dat de door appellant voor de verrichte werkzaamheden betaalde vergoeding van fl 100,--, tot fl 175,--, per dag wordt beschouwd als loon. Ook de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting is aanwezig nu appellant gebruik maakte van een pool van zetschippers, bestaande uit voor hem bekende en vakbekwame schippers die over de vereiste papieren beschikten. Verder is de enkele mogelijkheid dat de zetschipper door appellant kan worden aangesproken indien hij zich niet houdt aan de voorschriften en reglementen, afgesproken vaartijden of bij eventuele klachten van passagiers, voldoende om het bestaan van een gezagsrelatie aanwezig te achten.

In hoger beroep is namens appellant de persoonlijk dienstverrichting van de zetschippers ontkend, waarbij de mogelijkheid is benadrukt om bij verhindering zonder toestemming van appellant een vervanger in te schakelen. Voorts is de gezagsverhouding tussen appellant en de zetschippers bestreden wegens de feitelijke onmogelijkheid om aanwijzingen en opdrachten te kunnen geven aan schippers die op eigen vaarkunst en verantwoordelijkheid zijn aangewezen.

De Raad overweegt te dien aanzien op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zijner zitting als volgt.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten de verplichting van de werknemer tot persoonlijke dienstverrichting, de verplichting van de werkgever tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer.

De Raad stelt voorop dat blijkens vaste jurisprudentie van deze Raad voor de beantwoording van de vraag hoe de arbeidsverhouding tussen appellant en de zetschippers moet worden geduid, niet bepalend is hoe deze verhouding door partijen zelf wordt gekwalificeerd, maar dat deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden. Ook het voeren van een zelfstandige onderneming behoeft volgens vaste jurisprudentie op zichzelf niet te beletten, dat de werkzaamheden in dienstbetrekking worden verricht. Indien voldaan is aan de drie eerder genoemde voorwaarden, dan is sprake van een arbeidsovereenkomst.

Het bestaan van een loonbetalingsverplichting als tegenprestatie voor arbeid staat tussen partijen en ook voor de Raad vast.
Voorts neemt de Raad aan dat telkens wanneer een zetschipper ter vervanging van appellant op het desbetreffende zeilvaartuig met passagiers als schipper voer, hij ook persoonlijk zowel wegens zijn vakbekwaamheid aangetrokken uit een select vertrouwd gezelschap als om reden van de aard van de waarneming en de daaruit voortvloeiende veelomvattende verantwoordelijkheid tegenover appellant, de geboekte passagiers en het boekingskantoor, tot het volvoeren van die arbeidsverplichting gehouden was.
Tevens acht de Raad een gezagsrelatie tussen appellant en de zetschippers genoegzaam vaststaan. Het werk van de zetschippers behoorde structureel tot het organisatorisch kader van het bedrijf van appellant nu het er immers direct om ging dat de kern van de bedrijfsvoering op de gebruikelijke wijze doorliep, waarbij de vaart doende schipper kennelijk niet alleen als deskundig leider van passagiers maar ook als sfeermaker in de sporen van appellant als reguliere schipper moest treden, ook met het oog op klantenbinding in de toekomst. De eigen invulling en verantwoordelijkheid van de zetschipper laat onverlet dat hij zich moest houden aan het basispakket zoals overeengekomen met het boekingskantoor waaronder de afgesproken vaartijden, alsmede dat appellant met de zetschipper in voorkomende gevallen telefonisch contact onderhield en praktische aanwijzingen kon geven bijvoorbeeld indien een accu moest worden opgeladen. In geval uit de door de passagiers ingevulde enquêteformulieren zou blijken dat de zetschipper op enige wijze niet had voldaan, bestond voor appellant de mogelijkheid om hem niet langer in te schakelen, waarbij de eindverantwoordelijkheid voor het vaarprogramma klaarblijkelijk bij appellant bleef berusten, waardoor sturend kon worden opgetreden.
Op grond van een en ander is er naar het oordeel van de Raad sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en kunnen de daarmede verband houdende premiecorrecties en boetenota de rechterlijke toetsing als juist en op goede gronden gegeven doorstaan.
Hetgeen van de zijde van appellant overigens is aangevoerd doet aan de essentie en uitkomst van het geschil, zoals hierdoor gegeven, niet af.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x