Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT3650
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht aandeelhouders. Opgelegde boete's. Gezagsverhouding.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2327 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. J.K.C. van Loo, als belastingadviseur verbonden aan Erwich & Van Dort MSN registeraccountants en belastingadviseurs te Mijdrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2002 met kenmerk 00/5052.

Gedaagde heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 februari 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van Loo en diens kantoorgenote mr. M. Kuntzel. Gedaagde, daartoe vanwege de Raad opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.K. Dik, werkzaam bij het Uwv. Als getuige is gehoord mr. P.A.S. Bosman, voorheen werkzaam als kandidaat-notaris bij Erwich & Van Dort MSN registeraccountants en belastingadviseurs.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Appellante richt zich op de im- en export van en de groot- en kleinhandel in bloemen en planten. Tot 27 december 1995 werden deze activiteiten uitgevoerd onder de naam [B.V. 1] met als tweede handelsnaam [appellante]. Vanaf 1990 waren [aandeelhouder 1], [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 3] middellijk aandeelhouder en bestuurder. Zij verrichtten ieder via hun persoonlijke vennootschap management- en directietaken ten behoeve van appellante.

Op grond van een in december 1999 bij appellante uitgevoerde looncontrole, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 8 december 1999, heeft gedaagde - voorzover thans van belang - op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten verzekeringsplicht aangenomen voor [aandeelhouder 1], [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 3]. Voor [aandeelhouder 1] betreft dit de periode van 1 januari 1994 tot 1 juli 1997, voor [aandeelhouder 2] de periode van 1 januari 1994 tot 3 april 1997 en voor [aandeelhouder 3] de periode vanaf 1 januari 1994. Dit heeft geleid tot het opleggen van correctienota’s over de jaren 1994 tot en met 1998. Tevens is een verzuim geregistreerd en zijn over de jaren 1995 tot en met 1998 boeten opgelegd ter hoogte van 25% van de ambtshalve vastgestelde premie.

Bij besluit van 11 oktober 2000, voorzover hier van belang, heeft gedaagde de tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren in zoverre gegrond verklaard dat voor [aandeelhouder 1] over de periode van 1 januari 1994 tot 3 juli 1997 geen verzekeringsplicht wordt aangenomen. Ten aanzien van [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 3] heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd en daarbij de verzekeringsplicht, primair gebaseerd op artikel 3 en subsidiair op artikel 5, aanhef en onder d, van deze wetten. Volgens gedaagde is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de derde richtlijn van de circulaire van de toenmalige federatie van bedrijfsverenigingen nr. C 93.07 van 16 juli 1993 (hierna: de derde richtlijn), en is gelet op het aandelenbezit van [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 3] in beginsel sprake van werkgeversgezag, terwijl er voorts geen of althans onvoldoende materiële indicaties zijn voor het oordeel dat een gezagsverhouding niettemin ontbreekt.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 11 oktober 2000 ongegrond verklaard. Voorzover in hoger beroep van belang was zij van oordeel dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet kan worden gehonoreerd, dat geen sprake was van gelijkgerechtigde aandeelhouders als bedoeld in de derde richtlijn, en dat voldaan is aan de drie elementen voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen [aandeelhouder 3] en [aandeelhouder 2] en appellante. Met betrekking tot de gezagsverhouding is de rechtbank met gedaagde van oordeel dat sprake is van werkgeversgezag in de vorm van toezicht door de vergadering van aandeelhouders, en dat onvoldoende duidelijke materiële indicaties bestaan voor het aannemen van gezamenlijk ondernemerschap. Daarbij is van belang geacht dat de winst niet gelijkelijk wordt verdeeld, dat er niet naar is gestreefd te bewerkstelligen dat betrokkenen allen gelijkgerechtigd zouden zijn en zodoende niet tegen hun wil ontslagen konden worden, en dat de aandeelhoudersovereenkomst van 5 april 1995 het bepaalde in de statuten niet opzij kan zetten. Met betrekking tot de boetenota’s heeft de rechtbank geoordeeld dat op goede gronden opzet dan wel grove schuld is aangenomen, dat niet vereist is dat boeten gelijktijdig met de correctienota’s worden opgelegd en dat het beroep op artikel 6, derde lid, onder a, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet slaagt.

Appellante kan zich blijkens het gestelde in het aanvullende beroepschrift en het verhandelde ter zitting niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. In dat verband houdt zij vast aan de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden.

Naar aanleiding van deze beroepsgronden overweegt de Raad het volgende.

De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat met betrekking tot de premienota’s over 1994 en 1995 geen sprake is geweest van onjuiste tenaamstelling. De Raad onderschrijft het betoog van gedaagde daarover in het aanvullend verweerschrift. Dit komt er in essentie op neer dat het bedrijf ook vóór 27 december 1995 al werd gevoerd onder de naam van appellante, dat zij bij gedaagde nimmer melding heeft gemaakt van een wijziging in de rechtspersoon, dat zij zelf haar inschrijvingsnummer en tenaamstelling aan gedaagde heeft opgegeven en dat de nota’s over de jaren 1994 en 1995, welke aan de besloten vennootschap met de handelsnaam “[naam handelsnaam]” zijn opgelegd, geen inschrijvingsnummer vermelden. De Raad voegt daaraan toe een eventuele onjuistheid in de tenaamstelling in dit geval niet tot vernietiging van het besluit op bezwaar zou hebben geleid, aangezien er geen misverstand heeft bestaan over de vraag tot welke vennootschap de nota’s waren gericht en appellante bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen de betreffende besluiten, zodat zij op geen enkele wijze in haar processuele belangen is geschaad.

De vraag of gedaagde voor [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 3] over de perioden van respectievelijk 1 januari 1994 tot 3 april 1997 en vanaf 1 januari 1994 terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen beantwoordt de Raad met de rechtbank bevestigend. Bij dit oordeel heeft hij het volgende in aanmerking genomen.

[aandeelhouder 2] bezat vanaf 1 januari 1994 40% en vanaf 3 april 1997 tot 20 mei 1997 80% van de aandelen van de houdstermaatschappij. [aandeelhouder 3] bezat 20% van de aandelen. Vanaf 20 mei 1997 heeft de heer [aandeelhouder 4] 5,7 % van de aandelen van [aandeelhouder 2] overgenomen. Gelet op hetgeen uit de statuten blijkt over de besluitvorming binnen de algemene vergadering van aandeelhouders kon noch [aandeelhouder 2] noch [aandeelhouder 3] ten tijde van belang zijn ontslag door de algemene vergadering van aandeelhouders tegenhouden, zodat naar vaste rechtspraak van de Raad in beginsel moet worden uitgegaan van de aanwezigheid van een gezagsrelatie tot appellante. Naar het oordeel van de Raad zijn er onvoldoende materiële indicaties voor het oordeel dat zich hier een uitzonderingsgeval voordoet waarin niettemin van het ontbreken van een gezagsverhouding moet worden uitgegaan. De intentie van de aandeelhouders om geen gezagsverhouding te laten bestaan en de op 5 april 1995 tussen de aandeelhouders gemaakte afspraken zijn daartoe onvoldoende. Voor [aandeelhouder 2] geldt dat de afspraken over zijn bedrijfsopvolging en de geleidelijke overdracht van aandelen van [aandeelhouder 1] naar [aandeelhouder 2] ontoereikend zijn om gedurende de periode vóór 3 april 1997 van gezamenlijk ondernemerschap te kunnen spreken. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat de derde richtlijn niet van toepassing is, aangezien van gelijkgerechtigde aandeelhouders als bedoeld in deze richtlijn geen sprake was.

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij er in redelijkheid op heeft kunnen vertrouwen dat gedaagde het na een looncontrole in 1993 ingenomen standpunt over de verzekeringsplicht van [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 3] had gewijzigd, heeft appellante gewezen op de omstandigheid dat gedaagde naar aanleiding van het daartegen gemaakte bezwaar weliswaar een - in appellantes visie niet voor beroep vatbare - beslissing van 25 augustus 1993 heeft afgegeven, inhoudende dat voor betrokkenen verzekeringsplicht bestond, maar vervolgens niet is overgegaan tot het opleggen van premienota’s over de betreffende jaren. De Raad is evenals de rechtbank en gedaagde van oordeel dat appellante aan de door haar genoemde feiten en omstandigheden niet een gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat gedaagde van het opleggen van premienota’s over de thans in geding zijnde jaren zou afzien. Daarbij merkt de Raad op dat het vertrouwensbeginsel geen rol kan spelen bij de vraag of sprake is van verzekeringsplicht, nu deze immers van rechtswege ontstaat.

De Raad ziet ten slotte in hetgeen door appellante is aangevoerd met betrekking tot de opgelegde boeten geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel voor onjuist te houden.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voorzover in hoger beroep aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x