Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT4617
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De uitspraak van de rechtbank is (niet) ontvangen per gewone post. Privaatrechtelijke dienstbetrekking bestuurder/minderheidsaandeelhouder.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/114 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 8 februari 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante gericht tegen de primaire besluiten van 8 november 2000 en 14 november 2000 inzake de premiecorrecties en opgelegde boetes over de jaren 1996 tot en met 1999. De bezwaren tegen de correctie- en boetenota over het jaar 1995 zijn bij dit besluit gegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.

Appellante is bij een op 9 januari 2004 bij de Raad ingekomen beroepschrift, nader aangevuld bij brief van 27 januari 2004, in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Maastricht onder dagtekening van 19 juni 2003 onder nummer 02/434 tussen partijen gewezen uitspraak.

Bij schrijven van 11 maart 2004 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 maart 2005, waar voor appellante is verschenen drs. W.M.G. Joosten, en gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt de Raad dat de aangevallen uitspraak - niet aangetekend - op 19 juni 2003 aan appellante is verzonden. Appellante stelt dat zij de uitspraak destijds niet heeft ontvangen en dat zij eerst in het bezit is gekomen van de uitspraak nadat deze - naar aanleiding van een telefonisch verzoek harerzijds - op 8 december 2003 aan haar is verzonden. De rechtbank Maastricht heeft desgevraagd medegedeeld dat de uitspraak destijds op 19 juni 2003 per gewone post is verzonden.

Aangezien de verzending van de aangevallen uitspraak bij gewone brief van 19 juni 2003 niet in overeenstemming is te achten met artikel 8:37, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en er bovendien van moet worden uitgegaan dat appellante die zending niet heeft ontvangen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de voor appellante voor het instellen van hoger beroep in acht te nemen termijn van 6 weken is aangevangen op 20 juni 2003.

Wel moet die termijn geacht worden te zijn aangevangen op 9 december 2003, zijnde de dag na toezending van de uitspraak door de rechtbank aan appellante op haar telefonisch verzoek van 4 december 2003. Nu het hoger beroepschrift op 8 januari 2004 is gedateerd en op 9 januari 2004 bij de Raad is ontvangen, komt de Raad tot de slotsom dat appellante tijdig hoger beroep heeft ingesteld.

De Raad gaat vervolgens voor de beoordeling van dit geschil ten gronde uit van de volgende feiten.

Op 3 maart 1993 is opgericht de besloten vennootschap [appellante] (hierna: appellante). De aandelen van appellante zijn voor 25% (en vanaf 1999 34%) in handen van [de besloten vennootschap 1], waarvan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) directeur en enig aandeelhouder is. De overige 75% (en vanaf 1999 66%) van de aandelen zijn in handen van [de besloten vennootschap 2], waarin [betrokkene 2]s (deels middellijk) een meerderheidsbelang heeft. [betrokkene 1] is met ingang van 1 januari 1996 voor appellante managementwerkzaamheden gaan verrichten op grond van een door appellante met [de besloten vennootschap 1] gesloten managementovereenkomst voor het jaar 1996, waarin onder meer is bepaald dat [betrokkene 1] persoonlijk de werkzaamheden dient te verrichten.

Bij het bestreden besluit van 8 februari 2002 heeft gedaagde gehandhaafd de ten laste van appellante over de jaren 1996 tot en met 1999 vastgestelde premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, aangezien [betrokkene 1] - middels zijn persoonlijke vennootschap [naam besloten vennootschap van betrokkene 1] - naar het oordeel van gedaagde ten opzichte van appellante in die jaren werkzaam was in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding namelijk in een privaatrechtelijke dienstbetrekking op grond van artikel 3 van de hierboven genoemde wetten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat [betrokkene 1] niet voldoet aan de criteria om op grond van de zogenoemde DGA-richtlijn te worden aangemerkt als - niet verzekeringsplichtige - directeur-grootaandeelhouder, dat [betrokkene 1] als minderheidsaandeelhouder tegen zijn wil kan worden ontslagen door de algemene vergadering van aandeelhouders en dat daaraan de gesloten managementovereenkomst niet afdoet, zodat sprake is van een gezagsverhouding. De rechtbank is vervolgens tot de conclusie gekomen dat gedaagde terecht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten ter zake van de door appellante aan [betrokkene 1] middels zijn persoonlijke vennootschap verrichte betalingen premieplicht heeft aangenomen ten tijde hier in geding.

Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de materiŽle omstandigheden waaruit blijkt dat er geen sprake is van een gezagsverhouding en derhalve van een dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij de Raad nog doen toekomen een aantal verklaringen van de toenmalige (thans nog in leven zijnde) bestuurders van appellante, waarin duidelijk wordt aangegeven dat het immer de bedoeling is geweest [betrokkene 1] een positie van gelijkgerechtigheid te verschaffen en wel een zodanige positie dat [betrokkene 1] niet ontslagen zou kunnen worden.

In het bijzonder spitst dus ook het geding in hoger beroep zich toe op het antwoord op de vraag of [betrokkene 1] zijn werkzaamheden heeft verricht onder gezag van appellante.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. De Raad ziet onvoldoende reden om af te wijken van zijn jurisprudentie, inhoudende dat, in het zich in deze onbetwist voordoende geval dat een voor een besloten vennootschap werkzame bestuurder/minderheidsaandeelhouder in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de vergadering van aandeelhouders geen doorslaggevende invloed heeft op zijn benoeming, schorsing en - in het bijzonder - ontslag, in beginsel moet worden aangenomen dat hij werkzaam is in ondergeschiktheid tot de besloten vennootschap. De Raad ziet in de wijze van samenwerking, zoals deze van de zijde van appellante naar voren is gebracht, onvoldoende materiŽle aanwijzingen op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden tot een vorm van medeondernemerschap, waarbij het aannemen van een gezagsverhouding niet goed voorstelbaar is.

In het gegeven dat [betrokkene 1] nooit met een belang van 25% respectievelijk 34% van de aandelen akkoord zou zijn gegaan als er geen zodanige afspraken waren gemaakt op grond waarvan hij niet ontslagen zou kunnen worden - verwezen wordt hierbij naar artikel 3 van de managementovereenkomst - ziet de Raad evenmin voldoende grond om te oordelen dat bovenbedoelde bijzondere omstandigheden zich voordoen op grond waarvan zou moeten worden voorbij gegaan aan de statutaire positie van [betrokkene 1] ten opzichte van de algemene vergadering van aandeelhouders ten tijde hier in geding. Wat er ook zij van deze overeenkomst dit laat onverlet het recht van de algemene vergadering van aandeelhouders om [betrokkene 1] te kunnen ontslaan.

Ook het feit dat er sprake was van een familiebedrijf waardoor er een hechte samenwerking bestond tussen de bestuurders van appellante en dat ook nimmer de bedoeling is geweest om een gezagverhouding te creŽren, neemt ten slotte niet weg dat te dezen de juridische verhoudingen doorslaggevend zijn en niet de intentie van de betrokken partijen. Het is immers niet uit te sluiten dat in een situatie waarin de onderscheiden belangen minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn dan in de door de bestuurders beoogde of verwachte situatie [betrokkene 1] zou worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening door de algemene vergadering van aandeelhouders.

Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat zij niet op grond van het haar eerst lang nadien bekend geworden standpunt van de fiscus, ten tijde hier in geding een pleitbaar standpunt heeft kunnen innemen.

Ten slotte overweegt de Raad met betrekking tot het door appellante ingenomen standpunt dat de premie- en boetenotaís in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM tot nihil dan wel gematigd dienen te worden dat, ervan uitgaande dat deze termijn is aangevangen met de brief van 17 augustus 2000 respectievelijk met het instellen van bezwaar tegen de correctienotaís op 4 december 2000, van overschrijding van die termijn naar zijn oordeel geen sprake is.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hoger beroep van appellante niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x