Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT5608
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Onvolledige loonadministratie. Schatting premieloon. Gegevens Belastingdienst. Aanpassing van de hoogte van de premiecorrecties.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1006 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is door mr. L.J. van Roosmaelen, belastingadviseur te Nieuwegein, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 23 januari 2003 onder kenmerk 01/3605 door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2005, waar appellante werd vertegenwoordigd door haar directeur A. Heemskerk, bijgestaan door W. de Mooij, controller, en mr. Van Roosmaelen, en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T.K. Dik, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een groothandel en exportbedrijf in snijbloemen en potplanten. Naar aanleiding van de resultaten van een ingesteld strafrechtelijk onderzoek en een op 28 januari 1999 opgemaakte rapportage van zijn looninspecteur heeft gedaagde appellante op 15 maart 1999 correctienota’s opgelegd over de jaren 1994 tot en met 1997. De correctienota’s zijn opgelegd wegens niet door appellante in haar loonadministratie verantwoorde loonbetalingen in de betreffende jaren. Dit betreft in het bijzonder loonbetalingen aan personeel bij de afdeling boeketterie, waarin handboeketten werden samengesteld. Omdat de financieel directeur van appellante de loonadministratie met inbegrip van de urenadministratie en de kasloongegevens had vernietigd, heeft gedaagde de premienaheffing gebaseerd op een schatting van de premielonen. Het bezwaar van gedaagde tegen de correctienota’s is bij besluit van 13 september 2001 ongegrond verklaard.

In beroep tegen dat besluit heeft appellante op zichzelf niet bestreden dat gedaagde tot een schatting mocht overgaan. Naar de mening van appellante heeft de schatting van gedaagde echter geen enkele realiteitswaarde en is de uitkomst niet toetsbaar. Volgens appellante is gedaagde uitgegaan van onjuiste aannames inzake het gemiddeld aantal uren en loondagen, heeft gedaagde ten onrechte de voor het jaar 1998 gevonden verhoudingscijfers toegepast op de daaraan voorafgaande jaren en heeft hij op onjuiste wijze gebruteerd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is gedaagde op basis van de tijdens het onderzoek aangetroffen kasbetalingsbrieven en prikklokgegevens, betrekking hebbend op het niet bij de premienaheffing in aanmerking genomen jaar 1998 tot een gezien de ernst van de door de looninspecteur bij appellante aangetroffen situatie voldoende onderbouwde en ook overigens aanvaardbare premieloonvaststelling voor de in geding zijnde jaren gekomen. Gedaagde heeft voorts terecht en op de juiste wijze de nettoloonbetalingen gebruteerd.

In hoger beroep heeft appellante de bij de rechtbank aangevoerde gronden gemotiveerd herhaald. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante nog gesteld dat gedaagde niet heeft bewezen dat over de jaren 1994 en 1995 administratieve gegevens ontbreken. Voorts heeft hij aangevoerd dat de correctienota over 1994 dient te vervallen omdat de Belastingdienst over dat jaar geen naheffingsaanslag heeft opgelegd.

De Raad wijst er allereerst op dat appellante haar stelling inzake de volledigheid van de administratie over de jaren 1994 en 1995 niet eerder naar voren heeft gebracht en niet nader heeft toegelicht. Uit het looninspectierapport van 28 januari 1999 blijkt dat de looninspecteur in elk geval niet de beschikking had over de complete administratie over de jaren 1994 en 1995, en ook niet over primaire administratieve vastleggingen zoals urenregistraties. Appellante heeft deze gegevens nimmer overgelegd. Uit een verklaring die de financieel directeur van appellante in het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft afgelegd komt voorts naar voren dat over een reeks van jaren bewust zwart loon is betaald. Onder deze omstandigheden mag ervan worden uitgegaan dat ook over de jaren 1994 en 1995 de loonadministratie onvolledig is geweest. Gedaagde mocht dan ook het premieloon vaststellen op basis van een schatting.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de schatting op een voldoende zorgvuldige en gemotiveerde wijze tot stand is gekomen en niet tot een onredelijke uitkomst heeft geleid. Hij kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen en voegt daaraan het volgende toe.

Gedaagde heeft de schatting gebaseerd op feitelijke gegevens, die naar voren komen uit de stukken die in beslag zijn genomen bij het externe administratiekantoor en bij appellante zelf, alsmede op verklaringen die de werknemers van appellante in het strafrechtelijk onderzoek hebben afgelegd. Van de zijde van appellante zijn hier geen andere feiten tegenover gesteld, behalve wat betreft de aantallen geproduceerde boeketten. De Raad kent echter geen doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante overgelegde informatie, nu deze niet specifiek betrekking heeft op het bedrijf van appellante. Voorts is bij die informatie geen rekening gehouden met de - uit de verklaring van de leidinggevende van de afdeling boeketterie naar voren komende en ook uit controleberekeningen blijkende - overhead in de vorm van voorbereidende werkzaamheden, pauzes, storingen en omschakelingen naar een boeket met een andere samenstelling.

Met als uitgangspunt de over de weken 34 tot en met 39 van 1998 aangetroffen prikklokgegevens van het bekende vaste personeel van de afdeling boeketterie in samenhang met andere uit de administratie blijkende gegevens heeft gedaagde berekend dat op de afdeling boeketterie werd gewerkt op 4 dagen per week gedurende 6,5 uur per dag tegen een uurloon van gemiddeld f 12,-- in 1998 door een vaste groep van gemiddeld 8 personen per dag, welke personen in hun vakantietijd werden vervangen door vakantiekrachten. Uit onder meer de regelmatig terugkerende kasbetalingen aan de medewerkers van de boeketterie blijkt dat de vaste bezetting nagenoeg steeds hetzelfde is geweest. Aan de hand van deze uitgangspunten, tezamen met de van de zijde van appellante afkomstige productiecijfers, verklaringen van werknemers van appellante en in de in beslag genomen administratie aangetroffen kasbetalingen heeft gedaagde geschat hoeveel loon onverantwoord is gebleven over de in geding zijnde jaren. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat deze berekeningen de vereiste realiteitswaarde zouden bieden. Appellantes bezwaren zijn van de zijde van gedaagde op en volgens de Raad voldoende overtuigd weersproken in de rapportage van 1 februari 1999 van de opsporingsambtenaren en de verweerschriften van gedaagde in de procedure bij de rechtbank en de onderhavige procedure.

Dat gedaagde ten onrechte is uitgegaan van 52 productieve weken per jaar omdat appellante na de kerstdagen gedurende vier weken niet produceerde heeft appellante naar het oordeel van de Raad niet voldoende aannemelijk gemaakt. Immers, uit door appellante zelf overgelegde gegevens in het kader van een steekproef over de derde week van de maand januari van 1997 en 1998 blijkt dat er in januari geen noemenswaardige afwijking van de gemiddelde maandproductie van boeketten is geweest.

Met betrekking tot de brutering van de uitbetaalde lonen overweegt de Raad het volgende.

Volgens vaste rechtspraak dient in het geval dat de werkgever de naheffing door de Belastingdienst niet bij de werknemer verhaalt maar voor zijn rekening neemt, de loonbelasting die ten onrechte niet op het loon van de werknemers is ingehouden te worden aangemerkt als voordeel uit dienstbetrekking waarover premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd zijn. De omstandigheid dat de fiscale naheffing bij appellante heeft plaatsgevonden in de vorm van een eindheffing en dat in dit geval voor haar geen verhaal op de werknemers meer mogelijk is, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de werknemers door het achterwege blijven van een fiscale heffing over hun loon een voordeel hebben genoten, dat eveneens als loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de CSV dient te worden aangemerkt.

Uit de ter zitting van de Raad door appellante overgelegde stukken is gebleken dat de Belastingdienst over het jaar 1994 geen naheffingsaanslag heeft opgelegd en over de jaren 1995 tot en met 1997 op basis van een met deze dienst bereikt compromis tot een lager bedrag loonbelasting en premies volksverzekeringen heeft nageheven. De Raad is van oordeel dat dit gegeven dient te leiden tot aanpassing van de hoogte aan appellante opgelegde premiecorrecties, voorzover deze betrekking hebben op het als premieloon aangemerkte voordeel dat de werknemers van appellante hebben genoten doordat appellante de loonheffing over het uitbetaalde loon voor haar rekening heeft genomen. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het besluit van 13 september 2001 dient te worden vernietigd. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 september 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 531,20 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x