Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT6434
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een gezagsverhouding tussen gedaagde en de directeur?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5537 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 6 oktober 2003 onder kenmerk 02/4049 door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 februari 2004 heeft appellant een reactie gegeven op het verweerschrift.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 maart 2005, waar voor appellant is verschenen mr. P.A.D.M. Bouts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar voor gedaagde is verschenen [naam directeur], directeur.




II. MOTIVERING


Gedaagde is op 27 november 2001 opgericht en exploiteert een handelsonderneming in kleding en aanverwante artikelen. Volgens een zich onder de gedingstukken bevindend uittreksel uit het handelsregister, gedateerd 5 december 2001, zijn bestuurders en tevens directeur van gedaagde Falguera & Sacrest S.A. (hierna: F & S), gevestigd in Spanje en Chever Investment B.V. (hierna: Chever), gevestigd te [vestigingsplaats]. Directeur/enig aandeelhouder van Chever is [naam directeur] (hierna: [directeur]). In het geplaatste aandelenkapitaal neemt F & S deel voor 60% en Chever voor 40%.
Bij besluit van 13 september 2002 heeft appellant zijn besluit van 16 mei 2002 gehandhaafd, waarin is neergelegd dat ten tijde hier in geding tussen gedaagde en [directeur] een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten met zich bracht op grond van artikel 3 van deze wetten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder een bepaling omtrent griffierecht het beroep van gedaagde tegen het besluit van 13 september 2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant bij zijn onderzoek naar de aard van de arbeidsverhouding ten onrechte buiten beschouwing gelaten of sprake zou kunnen zijn van een situatie van wederzijdse afhankelijkheid tussen F & S en [directeur], die aan een reŽle gezagsuitoefening door gedaagde in de weg staat. In dit verband acht de rechtbank van belang dat [directeur] kennis van de Nederlandse markt bezit die van essentieel belang is voor een goede bedrijfsvoering van gedaagde en dat hij kantoor- en winkelruimte ter beschikking stelt.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van die uitspraak bestreden. Daarbij is in hoofdzaak gesteld dat, gelet op de statuten van gedaagde, [directeur] onder gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders werkzaam was, nu deze vergadering hem tegen zijn zin kon ontslaan.

Van de kant van gedaagde is onder verwijzing naar het gestelde in eerste aanleg aangevoerd dat er geen sprake was van een gezagsverhouding. Gedaagde heeft gewezen op de aandeelhoudersovereenkomst van 30 januari 2002 waarin onder meer is bepaald dat voor het ontslag van een directeur de schriftelijke instemming van beide aandeelhouders is vereist, welke overeenkomst is geformaliseerd bij een statutenwijziging van 8 april 2003. Gedaagde heeft voorts betoogd dat de aandeelhoudersovereenkomst en de statutenwijziging het vanaf het begin door partijen nagestreefde partnerschap bekrachtigen, welk partnerschap overigens ook blijkt uit de voor de onderneming essentiŽle deskundigheid en ervaring van [directeur], uit diens persoonlijke borgstelling voor een aanzienlijk bedrag en uit de omstandigheid dat F & S en [directeur] ook in andere ondernemingen op basis van zelfstandigheid samenwerken.

De Raad is, anders dan de rechtbank, tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende grondslag bieden om een gezagsverhouding tussen gedaagde en [directeur] aan te nemen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad moet indien - zoals in dit geval - een directeur/aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen geen doorslaggevende stem heeft bij de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van de directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene aandeelhoudersvergadering, is de Raad in dit geval van oordeel dat er onvoldoende materiŽle aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten.

Zulk een situatie ziet de Raad in het bijzonder niet in de door gedaagde genoemde omstandigheden. Immers, de stemovereenkomst laat onverlet dat de meerderheidsaandeelhouder in conflictsituaties zijn stem in de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van de statutaire bepalingen rechtsgeldig kan uitbrengen in afwijking van de stemovereenkomst. De door gedaagde gestelde intenties met betrekking tot gezamenlijk ondernemerschap hebben voorts geen uitwerking gekregen in het toewerken naar een gelijke aandelenverhouding en een gelijke winstverdeling. Wat betreft de door [directeur] voor de onderneming geregelde kredietfaciliteit met persoonlijke borgstelling heeft appellant er terecht op gewezen dat de door de andere bestuurder verleende kredietfaciliteit een veelvoud hiervan bedraagt.

[directeur] heeft de arbeid steeds persoonlijk verricht en vervanging heeft zich niet voorgedaan. [directeur] factureert aan gedaagde een bedrag voor de door hem verrichte bestuurstaken. De door gedaagde gedane betalingen moeten daarom worden aangemerkt als een contraprestatie voor de werkzaamheden van [directeur].

Uit het vorenstaande volgt dat appellant terecht heeft aangenomen dat aan alle voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking werd voldaan.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x