Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT8124
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht verzekeringsplicht aangenomen?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/3556 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 juni 2004 met kenmerk 03/877.

Namens gedaagde heeft A. van der Meer, accountant/administratieconsulent te Ureterp, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 juni 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door T. Pot, werkzaam bij het Uwv en gedaagde door A. van der Meer.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Gedaagde is voortgekomen uit een fusie van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]. Blijkens het uittreksel uit het Handelsregister zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] via hun vennootschappen [vennootschap] en [naam bedrijf 2] vanaf 25 januari 2001 beiden statutair directeur van gedaagde. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna ook wel als betrokkenen aangeduid) hebben via hun vennootschappen ieder 30% van de aandelen van gedaagde in handen. De overige aandelen zijn in handen van [naam BV] (20%) en [naam BV 2] (20%).

Naar aanleiding van een bij gedaagde uitgevoerde looncontrole heeft appellant, voorzover in hoger beroep van belang, voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met ingang van 25 januari 2001 verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten aangenomen. Bij besluiten van 10 oktober 2002 heeft appellant onder meer over 2001 een correctienota en een boetenota aan gedaagde opgelegd. Bij besluit van 14 juli 2003, voorzover van belang, heeft appellant de door gedaagde gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2003 vernietigd voorzover dit ziet op de correctienota en de boete betreffende de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de periode van 25 januari 2001 tot en met 31 december 2001. De rechtbank is van oordeel dat appellant ten aanzien van deze periode ten onrechte heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als verzekeringsplichtig aangemerkt moesten worden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ontslag van beide directeuren door de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) vůůr 1 januari 2002 niet aannemelijk is gezien het in de aandeelhouders/directieovereenkomst overeengekomen ontslagverbod tot 1 januari 2002, en dat niet gebleken is dat [betrokkene 1] als statutair directeur een overheersende invloed binnen gedaagde uitoefende. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de aandeelhouders/directieovereenkomst beiden als gevolmachtigd directeur zijn benoemd en dat blijkens de samenwerkingsovereenkomst voor een aantal rechtshandelingen betreffende gedaagde een intern werkende toestemmingregeling geldt, op grond waarvan zij gezamenlijk toestemming dienden te verlenen. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op dusdanige wijze gezamenlijk een onderneming dreven, dat niet kan worden staande gehouden dat tussen gedaagde en hen een gezagsverhouding bestond.
Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank, gezien het feit dat gedaagde daartegen geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd, volstaan met de overweging dat hieraan wat betreft de periode van 25 januari 2001 tot en met 31 december 2001 de grondslag is komen te ontvallen.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de periode van 25 januari 2001 tot en met 31 december 2001 en de daarmee samenhangende premiecorrectie en boete. Bij de verzekeringsplicht gaat het uitsluitend om de vraag of sprake was van een gezagsverhouding tussen gedaagde en betrokkenen.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is, behoudens zeer bijzondere gevallen, bij de beoordeling van de verzekeringsplicht van directeuren /aandeelhouders het al dan niet bestaan van de mogelijkheid om tegen hun wil te worden ontslagen van doorslaggevende betekenis. Indien een directeur /aandeelhouder van een besloten vennootschap in de algemene vergadering van aandeelhouders in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen geen doorslaggevende invloed heeft op een besluit betreffende zij ontslag, moet in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot die vennootschap. Een uitzonderingsgeval kan zich voordoen indien uit alle feiten en omstandigheden overigens voldoende materiŽle indicaties naar voren komen voor het gezamenlijk drijven van een onderneming door de betrokken personen, ook in situaties waarin zij niet volledig of nagenoeg volledig participeren in het aandelen kapitaal.

De Raad stelt vast dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gelet op de statutaire bepalingen en de aandelenverhouding in geval van een conflictsituatie bij meerderheidsbesluit van de AVA tegen hun wil konden worden ontslagen en met hun onwelgevallige besluiten kon worden geconfronteerd. De tussen de aandeelhouders gesloten overeenkomsten, op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat sprake was van gezamenlijk ondernemerschap, laten onverlet dat de aandeelhouders in afwijking daarvan rechtsgeldig hun stem konden uitbrengen in de AVA. Daarmee is de gezagsverhouding tussen gedaagde en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in beginsel gegeven.

De Raad ziet, anders dan de rechtbank, in het onderhavige geval onvoldoende materiŽle aanwijzingen voor de conclusie dat in weerwil van de juridische verhoudingen sprake is van het gezamenlijk drijven van een onderneming. De omstandigheid dat de leiding van gedaagde in de praktijk bij betrokkenen berustte en de overige aandeelhouders in feite slechts kapitaalverstrekkers waren, neemt niet weg dat ook zij, bijvoorbeeld in geval van een conflictsituatie, in de ava rechtsgeldig hun stem konden uitbrengen.

De Raad wijst er voorts op dat zich in dit geval niet een situatie voordoet als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaaandeelhouder, reeds omdat voor de toepassing van die bepaling de verdeling van de aandelen onder de aandeelhouders en niet (alleen) de verdeling van de aandelen onder de bestuurders bezien moet worden. Dat betrokkenen ieder wel evenveel aandelen hadden en volgens de onder meer tussen hen gesloten overeenkomsten als gelijkwaardige partners met elkaar omgingen is in dit verband ontoereikend.

Ook voor het overige is de Raad niet gebleken van aanwijzingen die leiden tot de conclusie dat sprake was van gezamenlijk ondernemerschap. Dit brengt mee dat gedaagde voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de periode van 25 januari 2001 tot en met 31 december 2001 terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen wegens het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met gedaagde, en terecht tot correctie van de over die periode verschuldigde premie is overgegaan.
Wat betreft de over het hier besproken tijdvak opgelegde boete is de Raad van oordeel dat het gezien de binnen gedaagde na de fusie aangebrachte wijziging in de aandelenverhouding op de weg van gedaagde had gelegen om bij appellant te informeren naar de mogelijke gevolgen van die wijziging voor de positie van de binnen haar werkzame aandeelhouders. Appellant heeft in dit geval dan ook terecht aangenomen dat sprake is geweest van opzet dan wel grove schuld aan de zijde van gedaagde, en terecht tot correctie van de over die periode verschuldigde premies is overgegaan.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep gegrond is verklaard en het besluit op bezwaar deels is vernietigd, dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaren.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x