Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT9778
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft betrokkene bij het instellen van bezwaar verzuimd de gronden van het bezwaar in te dienen en dit verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn hersteld?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5707 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[betrokkene] handelend onder de naam [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 1 november 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 7 oktober 2004 tussen partijen gewezen uitspraak met kenmerk 04/1098.

Bij schrijven van 29 november 2004 heeft P.J.M. van Dam, fiscaal juridisch adviseur te Nijmegen, van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juni 2005, waar appellant - met voorafgaand schriftelijk bericht - niet is verschenen, terwijl gedaagde in persoon is verschenen bijgestaan door P.J.M. van Dam.




II. MOTIVERING


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant gedaagde bij besluit van 26 maart 2004 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat gedaagde bij het instellen van bezwaar verzuimd heeft de gronden van het bezwaar in te dienen en dit verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft hersteld.
Bij brief van 24 december 2003 is aan gedaagde een premienota werknemersverzekeringen toegezonden betreffende de jaren 2000 en 2001. Bij bezwaarschrift gedateerd 8 januari 2004, bij appellant binnengekomen op 4 februari 2004, is namens gedaagde daartegen bezwaar aangetekend. Appellant heeft bij brief van 23 februari 2004 gedaagde meegedeeld dat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en gedaagde in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Bij besluit op bezwaar van 26 maart 2004 heeft appellant het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat op het verzoek om het verzuim te herstellen geen reactie is ontvangen en de gronden van het bezwaar niet kenbaar zijn.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard vaststellende dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar, als bedoeld in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevat aangezien gedaagde heeft aangegeven dat bij gelegenheid van het boekenonderzoek, naar aanleiding waarvan de premienota is opgelegd, nader te verstrekken gegevens aan de looninspecteur zijn toegezonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde hiermee aangegeven waarom zijns inziens de premie te hoog is vastgesteld.

Appellant heeft daartegen aangevoerd dat het voor hem onduidelijk is op welke wijze de rechtbank uit het bezwaarschrift heeft af kunnen leiden dat gedaagde de mening is toegedaan dat de premienota tot een te hoog bedrag is vastgesteld aangezien dit nergens met zoveel woorden omschreven is, dan wel anderszins uit het bezwaarschrift valt af te leiden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met hetgeen tijdens het boekenonderzoek aan de orde is gesteld had het ook voor appellant duidelijk kunnen en moeten zijn dat het bezwaar van gedaagde gericht was tegen de brutering op grond van het anoniementarief. Om die reden kan het bestreden besluit geen stand houden en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,00 voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 644,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van 414,00 wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x