Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AT9889
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Waren betrokkenen werkzaam in een privaatrechtelijke dienstbetrekking? Is er sprake van het ontbreken van een gezagsverhouding?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2182 ALGEM, 03/2183 ALGEM, 03/2184 ALGEM en 03/2185 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1], gevestigd te Den Haag,
[appellant 2] en [appellant 3], wonende te Den Haag,
[appellant 4], wonende te Leiden, appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellanten heeft mr. C.L. Capel, advocaat te Rotterdam, op daartoe aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Den Haag op 25 maart 2003, onder nummer 02/1745, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en appellanten hebben bij brief van 9 mei 2005 nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn, gevoegd met het geding onder nummer 04/5856 CSV, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2005. Appellant [appellant 3] is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Capel, voornoemd, en J.E.C. van Arkel, accountant te Leiden. Namens gedaagde is verschenen mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

De heren [appellant 3], [appellant 2], [vennoot 1] en [appellant 4] (verder te noemen: [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4]) oefenden tot 30 mei 1996 een onderneming in maatschapsverband uit. De winstverdeling was als volgt: [appellant 2], [appellant 3] en [vennoot] ieder 27% en [appellant 4] 19%. Op 30 mei 1996 hebben zij via hun persoonlijke beheersmaatschappijen [appellant 1] (verder te noemen: de vennootschap) opgericht. De directie wordt benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, die bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen beslist. De persoonlijke beheersmaatschappijen van [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] zijn daarbij, blijkens de statuten, tot directeuren van de vennootschap benoemd. Er zijn 100 aandelen uitgegeven en blijkens de statuten bezitten (de beheersvennootschappen van) [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] 28 resectievelijk 28, 25 en 19 aandelen.
In juli 1999 heeft een looncontrole over de jaren 1996 tot en met 2000 bij de vennootschap plaatsgevonden. De looninspecteur heeft daarbij geconcludeerd dat nader onderzoek naar de verzekeringsplicht van [appellant 2], [appellant 3], [vennoot] en [appellant 4] is vereist. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2001, waarbij is geconcludeerd dat betrokkenen sedert 30 mei 1996 in privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn.
[vennoot] heeft per 1 mei 2001 zijn werkzaamheden gestaakt en zijn aandelen per 1 oktober 2001 overgedragen aan [appellant 3], [appellant 2] en [appellant 4], die vanaf dat moment 38 respectievelijk 38 en 24 aandelen bezitten.
Bij besluit van 30 oktober 2001 heeft gedaagde aan de vennootschap medegedeeld dat [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] vanaf 30 mei 1996 als verzekeringsplichtig voor de werknemersverzekeringen worden beschouwd. Mede namens [appellant 3], [appellant 2] en [appellant 4] heeft de vennootschap hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 28 maart 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 28 maart 2002 ongegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat het feit dat [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] voorafgaande aan de oprichting van de vennootschap in maatschapsverband werkzaam waren en er in het feitelijk functioneren van de betrokkenen vr en na de oprichting geen wijziging is opgetreden, geen als zeer bijzonder te kwalificeren omstandigheid oplevert op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat uitoefening van gezag binnen de algemene vergadering van aandeelhouders achterwege zal blijven.

Appellanten hebben het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Raad (zoals blijkt uit de in USZ 1999/284 gepubliceerde uitspraak van de Raad van 1 juli 1999) volgt dat, indien - zoals in het onderhavige geval - een directeur/aandeelhouder van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende invloed heeft op de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap.
Anderzijds kan van belang zijn dat uit alle feiten en omstandigheden overigens voldoende materile indicaties naar voren komen om aan te nemen dat sprake is van het gezamenlijk drijven van een onderneming, ook in situaties waarin niet alle betrokkenen volledig of nagenoeg volledig gelijk participeren in het aandelenkapitaal.

Met de rechtbank en de door haar gegeven motivering is de Raad van oordeel dat [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Met het betoog omtrent het ontbreken van een gezagsverhouding gaan appellanten voorbij aan de vaste jurisprudentie van de Raad over dit onderwerp, die in essentie hiervoor is weergegeven. Het beroep van appellanten op de in RSV 1999/27 en RSV 2001/129 gepubliceerde uitspraken van de Raad slaagt niet. De relevante feiten en omstandigheden van het bijzondere geval zijn in beginsel bepalend voor het antwoord op de vraag naar de gezagsverhouding. In beide genoemde uitspraken zijn die feiten en omstandigheden wezenlijk anders dan in de onderhavige gedingen.

Gelet op hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad voorts het volgende.

De door de fiscus afgegeven verklaringen arbeidsrelatie zijn eerst vanaf 1 januari 2003 geldig, zodat deze verklaringen voor de onderhavige gedingen toepassing missen. Daarnaast maken deze verklaringen een uitdrukkelijk voorbehoud ten aanzien van de vraag die in deze gedingen aan de orde is.

De omstandigheid dat het huishoudelijk reglement waarnaar de rechtbank heeft verwezen in haar uitspraak geen juridische status heeft, wil niet zeggen dat daaraan geen betekenis toekomt. Naar ter zitting van de Raad is gebleken hebben alle betrokkenen, zoals ook uit het huishoudelijk reglement blijkt, ten tijde van belang directietaken vervuld. Dat deze taken slechts een ondergeschikt deel van hun totale werkzaamheden vormden, is niet van belang. Voor de Raad staat vast dat [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4] ten tijde hier van belang gehouden waren hun (ontwerp- en directie)werkzaamheden persoonlijk te verrichten.

Uit de in USZ 2000/263 gepubliceerde uitspraak van de Raad volgt dat ook van loon sprake is indien de vergoeding afhankelijk is gesteld van het resultaat van de onderneming.
De vraag of appellanten hebben beoogd misbruik te maken van de sociale werknemersverzekeringswetten is niet relevant bij de toetsing of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van die wetten.
Dit geldt eveneens voor de gestelde belangen van [appellant 3], [appellant 2], [vennoot] en [appellant 4].

Inzake het beroep van appellanten op undue delay onderschrijft de Raad allereerst hetgeen de rechtbank heeft overwogen inzake de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorzover appellanten hebben beoogd aan te voeren dat gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door het onderzoek, waarvan in juli 1999 is vastgesteld dat dit moest worden uitgevoerd, eerst in oktober 2001 uit te voeren, verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie (zoals de in RSV 2000/248 gepubliceerde uitspraak) waaruit volgt dat de verzekering ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten van rechtswege ontstaat en dat een schending van n of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur daarbij geen rol kan spelen. Eerst in de fase van de premievaststelling en/of premieheffing kan dit eventueel een rol spelen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x