Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU0520
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De boetenota is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen de mogelijkheid van bezwaar openstaat. Het bezwaarschrift van gedaagde richtte zich, gelet op de inhoud en strekking ervan, tegen zowel de boetenota als het boetebesluit.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1617 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 8 maart 2004 onder kenmerk 03/998 door de rechtbank Zwolle gewezen uitspraak.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juni 2005, waar namens appellant is verschenen mr. J.A. Buur, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 31 maart 2003 is aan gedaagde een boete opgelegd over het jaar 2002 ten bedrage van € 2.269,-- wegens het niet (tijdig) inzenden van de jaarloonopgaven. Op 1 april 2003 is de boetenota verzonden met het verzoek om te betalen.

Bij besluit van 23 juni 2003 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen de boetenota niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit 23 juni 2003 gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zich terecht op het standpunt gesteld dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb. Appellant heeft evenwel een risico voor misverstanden geschapen door op de achterkant van de boetenota uitvoering de mogelijkheid te schetsen om bezwaar te maken tegen de nota, terwijl in het boetebesluit in een bijzin is vermeld ‘...niet zoals op de achterzijde van de nog te ontvangen nota staat vermeld...’, en bovendien het boetebesluit en de boetenota slechts met één dag verschil zijn verzonden. Het gaat de rechtbank dan ook te ver om van gedaagde te vergen dat zij zich voor een tweede keer tot appellant zou moeten wenden met een bezwaarschrift. De rechtbank is van oordeel dat nu het onmiskenbaar de bedoeling van gedaagde was om bezwaar te maken tegen het opleggen van een boete, appellant gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb de gelegenheid had moeten geven om alsnog het boetebesluit over te leggen. Deze gelegenheid is gedaagde niet geboden en het stond appellant dan ook niet vrij om het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk te verklaren.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de boetenota geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat. Voorts is de Raad van oordeel dat het bezwaarschrift van gedaagde gelet op de inhoud en strekking ervan zich richtte tegen zowel de boetenota als het boetebesluit. De aangevallen uitspraak komt dan ook, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht tot slot termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde van € 322,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 414,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x