Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU1140
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn de onderhavige werkzaamheden verricht op basis van een arbeidsovereenkomst?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2859 ALGEM en 05/469 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Arnhem op 15 april 2004 onder kenmerk 02/1895 tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 22 juni 2004 is appellante door gedaagde bericht dat, naar de Raad begrijpt ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de correctienota en boetenota over het jaar 1999 voorzover deze betrekking hebben op de door appellante in dat jaar aan [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) verrichte betalingen worden herroepen onder handhaving van de op het jaar 2000 ziende correctienota en boetenota. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem. Het beroepschrift is ter verdere behandeling door die rechtbank doorgezonden aan de Raad.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 juli 2005, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door H. van Straten, advocaat te Rotterdam, en namens gedaagde is verschenen mr. M. Krikke, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Tevens was ter zitting betrokkene aanwezig.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft op 4 april 2002 premienota’s ten laste van appellante vastgesteld over de jaren 1999 en 2000, voorzover van belang, in verband met de betalingen door appellante aan betrokkene voor door hem in die jaren verrichte werkzaamheden. Op 15 april 2002 heeft gedaagde tevens over die jaren aan appellante boetes ad 25% van de nageheven premie opgelegd. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 5 augustus 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voorzover dat betrekking heeft op de over 1999 over de betalingen aan betrokkene nageheven premie en de daarmee samenhangende boete. Uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak komt naar voren dat het beroep door de rechtbank ongegrond is bevonden, voorzover dat ziet op de correctienota en boete over 2000.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde het besluit van 22 juni 2004 genomen. Bij brief van 18 november 2004 is namens appellante bevestigd dat ten aanzien van het jaar 1999 tussen partijen geen geschil (meer) bestaat. De Raad constateert in dit verband dat gedaagde met het besluit van 22 juni 2004 in zoverre volledig aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen, zodat het thans voorliggende beroep niet geacht wordt (mede) gericht te zijn tegen dat besluit.

In de brief van 22 juni 2004 is naast het besluit over het jaar 1999 tevens aangegeven dat de correctienota en boetenota over 2000 onverminderd gehandhaafd blijven. Dit deel van deze brief vormt, anders dan appellante blijkbaar meent, geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu de daarop betrekking hebbende passages enerzijds de strekking hebben appellante (niet meer dan) voor te lichten over de gevolgen van deze brief bij het licht van het onderhavige hoger beroep en anderzijds (enkel) een herhaling vormen van het besluit van 5 augustus 2002 en dientengevolge niet op rechtsgevolg zijn gericht. Van een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb is zodoende geen sprake.

De Raad zal dan ook zijn oordeel beperken tot het besluit van 5 augustus 2002, voorzover dat betrekking heeft op de correctie- en boetenota over het jaar 2000.

Het besluit van 5 augustus 2002 berust op de overweging dat betrokkene in 2000 zijn werkzaamheden voor appellante op basis van een arbeidsovereenkomst heeft verricht. Dit wordt door appellante bestreden.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak daarover onder meer het volgende overwogen, waarbij appellante is aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder en de Raad de naam van betrokkene heeft vervangen door “betrokkene”:
“Eiseres heeft (...) als bedrijfsomschrijving het geven van adviezen, het uitwerken van plannen en het leiden van de uitvoering van werken op het gebied van warmte-, luchtbehandeling-, sanitair-, elektro- en transporttechnieken en aanverwante technieken.
(...)
Volgens een e-mail van 17 november 1999 heeft eiseres betrokkene gevraagd om (weer) werkzaamheden voor haar te verrichten. Afgesproken is dat hij tot eind 1999 op afroep w(erktuigbouw)-calculatiewerkzaamheden zou verrichten. Volgens de e-mail wilde betrokkene ook de komende jaren voor eiseres blijven werken indien eiseres hem een schriftelijke garantie kon geven dat zij hem een bepaalde tijd per week zou inhuren. Gesuggereerd werd een aantal van gemiddeld 32 uur per week. Het was dan de bedoeling dat hij werd ingezet voor calculatie- en uitvoeringsbegeleiding aangezien er geen w(erktuigbouw)-uitvoeringsmedewerker aanwezig was door het (volledig) inzetten van een medewerker bij ING. In principe wilde betrokkene de volgende afspraken: een garantie voor een minimum aantal uren, af te rekenen op regiebasis achteraf, een uurtarief van f. 85,-- all-in en vergoeding van zakelijke kilometers. Op 9 december 1999 hebben eiseres en betrokkene een intentieverklaring opgesteld. Blijkens deze verklaring zou betrokkene voor eiseres in beginsel in de jaren 2000 en 2001 voor gemiddeld 32 uren per week calculatie- en uitvoeringsbegeleidingswerkzaamheden verrichten alsmede andere mogelijke werkzaamheden. Verrekening van de gewerkte uren zou maandelijks achteraf plaats vinden tegen een all-in uurtarief.
(…)
Eiseres heeft tegen verweerders stelling (...) naar voren gebracht dat betrokkene naast calculatiewerkzaamheden ook bestekken vervaardigde op het gebied van warmte-, luchtbehandeling-, sanitair-, elektro- en transporttechnieken, doch heeft niet gemotiveerd waarom deze werkzaamheden geen wezenlijk deel van de bedrijfsvoering van eiseres vormen. De rechtbank is (...) van oordeel dat hiervan sprake is, nu deze werkzaamheden werden verricht in het kader van door eiseres uit te voeren projecten en betrokkene blijkens de e-mail van 17 november 1999 werd ingezet ter vervanging van een medewerker van eiseres. De werkzaamheden vallen voorts onder de bedrijfsomschrijving van eiseres (...). Ook calculatiewerkzaamheden (...) werden verricht in het kader van door eiseres uit te voeren projecten. Tevens heeft eiseres voor het verrichten van deze werkzaamheden in het verleden medewerkers in dienst gehad.
(...)
De rechtbank is voorts van oordeel dat (...) de vrijheid van betrokkene om zijn eigen tijd in te delen moet worden gerelativeerd, omdat deze vrijheid begrensd zal zijn geweest door de noodzakelijke voortgang van de door eiseres te verrichten projecten (...). Daarnaast ziet de rechtbank in de (...) omstandigheid dat betrokkene bepaalde werkzaamheden alleen ten kantore van eiseres kon verrichten aangezien bepaalde STABU bestekken wettelijk zijn voorzien van licenties en betrokkene gebruik diende te maken van een op het netwerk beschikbaar programma, eerder een gezagselement dan het ontbreken van een gezagsverhouding.
(...)
Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres verplicht was tot loonbetaling aan betrokkene. De betalingen dienen te worden beschouwd als tegenprestatie voor de door betrokkene verrichte arbeid.
(...)
De aard van de werkzaamheden van betrokkene brengt met zich dat deze werkzaamheden alleen konden worden verricht door personen met bepaalde specifieke kwalificaties, zodat onaannemelijk is dat betrokkene zich zonder meer door een willekeurige derde kon laten vervangen. Dit wordt bevestigd door de verklaring van betrokkene ter zitting dat in de gevallen dat hij zich liet vervangen, dit gebeurde door werknemers van [naam B.V.], een aan eiseres gelieerd detacheringsbureau.”

De Raad kan zich vinden in de strekking van deze overwegingen en voegt daaraan nog het volgende toe.

De van belang zijnde correctienota en boetenota vloeien voort uit een in december 2001 gehouden looncontrole. In het daarvan gemaakte verslag van 5 december 2001 wordt beschreven dat betrokkene aan de hand van door projectleiders overgelegde bestektekeningen kostencalculaties maakt en dat bij de uitvoering van zijn werkzaamheden regelmatig moet worden samengewerkt/overlegd met werknemers van appellante. Betrokkene verricht zijn werkzaamheden dagelijks op het kantoor van appellante en hij heeft daar kantoorruimte beschikbaar op de afdeling die onder leiding staat van het hoofd adviesgroep van appellante. Soms dient betrokkene projecten te bezoeken om de kostencalculatie toe te lichten en hij treedt dan op als representant van appellante. De door betrokkene in rekening gebrachte werkuren worden aan de verschillende projecten toegerekend volgens het zelfde tijd-werkregistratiesysteem dat voor de werknemers van appellante wordt gebruikt.

Appellante is zowel mondeling (bij gelegenheid van de looncontrole) als schriftelijk (door de toezending van het looncontrolerapport en de nadien opgestelde aanvulling) de gelegenheid geboden eventuele onjuistheden in de verslaglegging weg te nemen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. In haar brief van 14 januari 2002 bevestigt appellante uitdrukkelijk dat (in verband met de ISO 9001 certificering) de werkzaamheden door betrokkene grotendeels in het kantoor van appellante worden verricht en deze bevestiging is in het aanvullend bezwaarschrift onder punt 19 herhaald. Onder deze omstandigheden volstaat niet dat appellante in de loop van het (hoger) beroep de juistheid van de in het looncontrolerapport gegeven beschrijving op onderdelen ongemotiveerd bestrijdt.

In hoger beroep heeft appellante gemotiveerd betoogd dat betrokkene in januari 2000 een deel van de door hem voor haar verrichte werkzaamheden aan derden heeft uitbesteed. Het gaat daarbij om in 2000 tot een bedrag van fl. 600,- door derden verrichte werkzaamheden. Ter zitting heeft betrokkene daarover toegelicht dat deze post ziet op een specifieke (nauwkeurige) berekening die moest worden gemaakt. De omzet van betrokkene over 2000 bedroeg fl. 224.582,39.

Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat deze gegevens niet afdoen aan de door de rechtbank getrokken en door de Raad onderschreven conclusie dat betrokkene was gehouden zijn arbeid persoonlijk te verrichten. De inhoud van de e-mail van 17 november 1999 en de aan betrokkene persoonlijk gerichte intentieverklaring van 9 december 1999 vormen een duidelijke bevestiging van de juistheid van die conclusie. De persoonlijke vennootschap beschikte niet over andere arbeidskrachten dan betrokkene. De absoluut en relatief bescheiden door betrokkene in 2000 aan derden uitbestede (hulp)arbeid leiden de Raad niet tot een ander oordeel.

De Raad volgt appellante evenmin in haar betoog dat zij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen door betrokkene als niet verzekerd te beschouwen. Het is in de eerste plaats aan appellante, gesteld voor de vraag of zij als dan niet premies op de door haar verrichte betalingen zal inhouden, om de aard van een door haar aangegane arbeidsrelatie te bepalen. Bij twijfel of sprake is van een verzekeringsplichtige arbeidsrelatie zal zij zich tot gedaagde kunnen wenden om zijn oordeel daarover te vernemen. De enkele omstandigheid dat gedaagde op praktische gronden heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat in het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd dat betrokkene (ook) in 1999 zich niet naar eigen inzicht kon laten vervangen, is niet toereikend om daaraan te ontlenen dat appellante destijds een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. De Raad tekent daarbij aan dat deze omstandigheid voor appellante (uiteraard) niet bepalend kan zijn geweest voor de wijze waarop zij de arbeidsrelatie met betrokkene destijds heeft gekwalificeerd.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x