Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU1147
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen het bedrijf en de vijftigplussers?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/3500 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 9 augustus 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 7 juni 2004 met kenmerk 02/2730 door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 21 september 2004, en een aanvullend verweerschrift, gedateerd 23 september 2004, ingediend.

Bij brief van 20 oktober 2004 is namens appellante een reactie op het aanvullend verweerschrift ingediend. Bij brief van 15 november 2004 heeft gedaagde hierop gereageerd.
Bij brief van 10 mei 2005 heeft appellante de gronden van het hoger beroep nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 mei 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur [naam directeur]. Gedaagde is, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante heeft als doelstelling onder meer de bemiddeling van vijftigplussers naar de arbeidsmarkt. Gedaagde heeft een onderzoek doen instellen naar de verzekeringsplicht in het kader van de door appellante via de zogenoemde Reva Methode© toegepaste bemiddeling. Volgens het onderzoeksrapport van 7 maart 2001 werkt deze methode als volgt. Appellante benadert bedrijven die personeel zoeken en biedt aan voor de openstaande vacatures geschikte vijftigplussers te vinden die de werkzaamheden op declaratiebasis zullen verrichten. Bij dit contact komen de werktijden en de verdiensten van de vijftigplusser en de bemiddelingskosten van appellante aan de orde. Vervolgens werft appellante vijftigplussers, schrijft hen in en brengt het contact tussen de bedrijven en de vijftigplussers tot stand op basis van een ‘bemiddelingsovereenkomst’ tussen appellante en de vijftigplusser en tussen appellante en het bedrijf. De vijftigplusser en het bedrijf sluiten een ‘overeenkomst voor aanneming van werk’ waarin de vijftigplusser verklaart de werkzaamheden voor eigen rekening en risico te willen verrichten, en maken afspraken over onder meer de vergoeding. Maandelijks dient de vijftigplusser bij appellante een door het bedrijf ondertekend urendeclaratieformulier in, die het gedeclareerde bedrag verhoogd met 35% bemiddelingstoeslag (en de daarover verschuldigde omzetbelasting) bij het bedrijf in rekening brengt en incasseert. Het door de vijftigplusser gedeclareerde bedrag wordt vervolgens onder aftrek van 2,5% ‘calamiteitenbijdrage’ ter dekking van het risico van wanbetaling door appellante aan de vijftigplusser overgemaakt. Deze verplicht zich van deze verdiensten zelf aangifte te doen bij de Belastingdienst.

Gedaagde heeft met zijn besluit van 28 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) zijn primaire besluit gehandhaafd, inhoudende dat tien vijftigplussers die door tussenkomst van appellante op en na 10 januari 2000 werkzaam zijn geweest voor [naam bedrijven] (hierna: de bedrijven) die werkzaamheden hebben verricht in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen appellante en de vijftigplussers.
Deze verzekeringsplicht is primair gebaseerd op artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, waarbij is voldaan aan de voorwaarden voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking, de uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW) daaronder begrepen, en subsidiair op artikel 5, aanhef en onder d, van deze wetten in samenhang met artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat ingevolge artikel 7:690 van het BW de uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde. Naar het oordeel van de rechtbank worden de drie kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking (de aanwezigheid van de verplichting voor de werknemer tot persoonlijke arbeidsverrichting, de verplichting voor de werkgever tot betaling van loon en het verrichten van de werkzaamheden in een gezagsverhouding) hier gevonden in de driepartijen relatie tussen appellante (werkgeefster), de vijftigplussers (werknemers) en de bedrijven (derden). De rechtbank heeft op grond hiervan vastgesteld dat de vijftigplussers tot eiseres in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, het primaire standpunt van gedaagde derhalve stand kan houden en zij aan het subsidiaire standpunt van gedaagde niet toe komt. Appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen.

Appellante heeft de juistheid van deze uitspraak bestreden. Hij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de feiten heeft miskend. Appellante fungeert slechts als intermediair voor de vijftigplussers die werken op basis van vrijwilligheid, zonder gezagsverhouding maar wel tegen een vergoeding. Na het totstandkomen van de overeenkomsten fungeert appellante enkel als administratiekantoor voor de vijftigplussers en de bedrijven. Appellante heeft haar methode vooraf met onder meer de Belastingdienst en met het toenmalige Gemeenschappelijk administratiekantoor (Gak) overlegd en daarover positieve adviezen ontvangen.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en kan zich in grote lijnen verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Daaraan voegt hij nog het volgende toe.

Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel wijst de Raad erop dat volgens zijn vaste rechtspraak (uitspraken van 5 oktober 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/248, en van 11 januari 2001, gepubliceerd in RSV 2001/58) verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat. Dat betekent dat een eventuele schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het vertrouwensbeginsel daarop geen invloed heeft. Eerst wanneer op basis van de verzekeringsplicht een besluit wordt genomen over de vaststelling en/of de heffing van de premie, kan de vraag aan de orde komen of bij het nemen van dat besluit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht zijn genomen. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel, zij het op een andere grond, terecht heeft verworpen.

De conclusie van de Raad is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en dat het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van gederfde verdiensten wordt afgewezen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x