Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU1193
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht; privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. Er is voldaan aan de vereisten van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek en dat tevens sprake is van een uitzendovereenkomst.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5743 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is bij de Raad in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 oktober 2002, kenmerk 01/1853.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 augustus 2004, waar voor appellant is verschenen mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A.K. Kuipers en mr. M. Rooijmans, werkzaam bij gedaagde. Tijdens die zitting is het hoger beroep, ingesteld door gedaagde, ingetrokken en is het onderzoek geschorst teneinde gedaagde in de gelegenheid te stellen zich te beraden op een gewijzigd standpunt van appellant inzake de gronden van het beroep.

Bij faxbericht van 20 september 2004 heeft gedaagde een reactie gegeven op het gewijzigde standpunt van appellant. Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 16 november 2004, waarop door gedaagde bij brief van 14 april 2005 een nadere reactie is gegeven.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 april 2005, waar voor appellant is verschenen mr. P. de Vreede, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde zich wederom heeft doen vertegenwoordigen door mr. Kuipers en tevens door [naam directeur], directeur van gedaagde.




II. MOTIVERING


Op 20 maart 2000 is tussen gedaagde en [M. van Z.], handelend onder de naam [Van Z.], (hierna: [Van Z.]) een overeenkomst gesloten, waarbij [Van Z.] zich heeft verbonden om in de periode van 20 april 2000 tot 20 oktober 2000 bedrijfsjuridische werkzaamheden te verrichten bij [naam B.V.] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam B.V.]). Voorts is tussen [naam B.V.] en gedaagde een overeenkomst gesloten ter zake van detachering van [Van Z.] bij [naam B.V.].

Bij besluit van 25 juli 2000 heeft appellant verzekeringsplicht (en premieplicht) aangenomen ten aanzien van de werkzaamheden die [Van Z.] heeft verricht bij [naam B.V.]. Het door gedaagde gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 augustus 2001 ongegrond verklaard. Appellant heeft de verzekeringsplicht uiteindelijk gebaseerd op het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten tussen [Van Z.] en gedaagde. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat aan de vereisten van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan en dat tevens sprake is van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. In het besluit op bezwaar heeft appellant als uitgangspunt genomen dat ook in een uitzendsituatie (eerst) aan alle vereisten van artikel 7:610 van het BW moet zijn voldaan, waaronder het bestaan van een gezagsverhouding van de uitlener tot de werknemer.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht het beroep van gedaagde tegen het besluit van 13 augustus 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van 25 juli 2000 herroepen. De rechtbank heeft appellant in zijn uitgangspunt gevolgd, dat ook in een uitzendsituatie allereerst sprake moet zijn van een gezagsrelatie tussen uitlener en werknemer. De rechtbank heeft zich beperkt tot toetsing aan de vereisten van artikel 7:610 van het BW omdat zij anders dan appellant onvoldoende grond zag voor het bestaan van een gezagsrelatie tussen gedaagde en [Van Z.]. De rechtbank heeft in verband hiermee als haar oordeel uitgesproken dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Aan de bespreking van de andere standpunten van appellant is de rechtbank daarom niet toegekomen.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden met als voornaamste grief dat daarbij de bijzondere situatie van de uitzendverhouding is miskend.

Bij het licht van zijn uitspraak van 29 april 2004, LJN AO8691, overweegt de Raad het volgende.

De Raad stelt allereerst vast dat [Van Z.] krachtens een daartoe tussen [naam B.V.] en gedaagde gesloten overeenkomst door gedaagde aan [naam B.V.] ter beschikking is gesteld teneinde krachtens opdracht van [naam B.V.] in haar onderneming arbeid te verrichten, zodat sprake is van een arbeidsverhouding waarbij drie partijen zijn betrokken. Op grond van de stukken is tevens voldoende komen vast te staan dat gedaagde [Van Z.] ter beschikking van [naam B.V.] heeft gesteld in het kader van de bedrijfsuitoefening van gedaagde, zodat in zoverre is voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Dit brengt mee dat voor de beantwoording van de vraag of binnen deze driepartijen relatie sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet worden gelet op de artikelen 7:610 en 7:690 van het BW, welke in hun onderlinge samenhang in aanmerking dienen te worden genomen.

Een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt naar vaste rechtspraak aanwezig geacht, indien is voldaan aan drie vereisten, te weten: een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een verplichting tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding. De vraag of is voldaan aan deze vereisten moet worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht. In geval van een uitzendsituatie moeten genoemde kenmerkende elementen van een arbeidsovereenkomst worden gevonden binnen de driepartijen relatie welke kenmerkend is voor een uitzendovereenkomst.

Gelet op de zich in dit geval voordoende feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat [Van Z.] gehouden was de arbeid waartoe hij door gedaagde aan [naam B.V.] ter beschikking was gesteld, persoonlijk te verrichten. De desbetreffende arbeid is ook in feite volledig door [Van Z.] verricht. Tevens moet worden aangenomen dat voor gedaagde de verplichting gold tot loonbetaling aan [Van Z.], in aanmerking genomen dat [Van Z.] van gedaagde via zijn eenmanszaak een afgesproken vaste vergoeding per gewerkt uur ontving.

Nu, zoals hiervoor is overwogen, aan de andere vereisten van artikel 7:690 van het BW is voldaan, is voor de beoordeling van het bestaan van een gezagsrelatie beslissend of [Van Z.] zijn werkzaamheden verrichtte onder toezicht en leiding van [naam B.V.]. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit het door appellant bij [naam B.V.] ingestelde onderzoek is naar het oordeel van de Raad voldoende duidelijk geworden dat [Van Z.], ofschoon hij in verband met zijn kennis en ervaring bij de uitvoering van zijn juridische werkzaamheden een ruime mate van handelingsvrijheid zal hebben gehad, niettemin uiteindelijk gehouden was om met betrekking tot de door hem geleverde eindproducten concrete aanwijzingen van de directiesecretaris van [naam B.V.] op te volgen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de onderhavige uitzendsituatie kan worden aangemerkt als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW. Gegeven dit oordeel is tevens sprake van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen [Van Z.] en gedaagde, gebaseerd op artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten.

In het voorgaande ligt besloten dat de Raad de hiervoor vermelde zienswijze van appellant en de rechtbank niet deelt, omdat deze berust op een onjuiste uitleg van artikel 7:690 van het BW. De conclusie moet dan ook luiden dat het besluit van 13 augustus 2001 in strijd is met de wet. Nu de rechtbank dat besluit weliswaar terecht, maar op geheel andere gronden heeft vernietigd, zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2001 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu de gemachtigden in dienst zijn van gedaagde kan niet gesproken worden van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de beslissingen betreffende proceskosten en griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 augustus 2001;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x