Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU1503
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Looncontrole bij een scheepsbouw- en reparatiebedrijf. Betalingen aan zogenoemde zelfstandigen zonder personeel. Is er sprake van verzekeringsplicht? Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking? Ontbreekt een reële gezagsverhouding?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/6431 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Leeuwarden op 20 oktober 2004, onder kenmerk 03/1323, gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 15 juni 2005 een deel van het hoger beroep ingetrokken.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 juli 2005, waar namens appellant is verschenen mr. M. Krikke, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde, daartoe opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J. Tabak, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep te Zwolle.




II. MOTIVERING


Gedaagde exploiteerde een scheepsbouw- en reparatiebedrijf. In de periode 30 juli 2002 tot en met 9 oktober 2002 heeft appellant een looncontrole uitgevoerd bij gedaagde, waarbij onder meer is gebleken dat gedaagde betalingen heeft verricht aan zelfstandigen zonder personeel die buiten de loonadministratie zijn gehouden, welke betalingen betrekking hebben op het verrichten van werkzaamheden voor gedaagde.

In het rapport buitendienst verzekeringsplicht van 21 februari 2003 staan de bevindingen van het onderzoek van gedaagde naar de verzekeringsplicht van de zelfstandigen zonder personeel voor de voor gedaagde verrichte werkzaamheden vermeld.
Bij besluit van 17 oktober 2003 heeft appellant gehandhaafd zijn besluiten van 2 juli 2003, inhoudende de vaststelling dat de heren [werknemer 1] (hierna: [werknemer 1]), [werknemer 2] (hierna: [werknemer 2]), [werknemer 3] (hierna: [werknemer 3]), [werknemer 4] (hierna: [werknemer 4]) en [werknemer 5] (hierna: [werknemer 5]) hun werkzaamheden voor gedaagde hebben verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking op basis waarvan zij als verzekeringsplichtig voor de sociale verzekeringswetten worden aangemerkt.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de betrokken personen niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben gestaan tot gedaagde door het ontbreken van een reële gezagsverhouding en dat daarop dan ook geen premieplicht van gedaagde kan worden gebaseerd. De rechtbank heeft, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2003 vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien. De rechtbank heeft de besluiten van 2 juli 2003 herroepen en heeft bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Het hoger beroep van appellant keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een reële gezagsverhouding tussen de betrokken personen en gedaagde. De rechtbank heeft naar de mening van appellant ten onrechte aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Raad van 30 maart 2000 (USZ 2000/131), omdat de omstandigheden waaronder de betrokken personen hun werkzaamheden verrichtten in die mate verschillen van de omstandigheden waaronder de lassers in de voornoemde uitspraak hun werkzaamheden verrichtten, dat in onderhavig geval sprake is van een gezagsverhouding. De betrokken personen verrichtten hun werkzaamheden op de scheepswerf van gedaagde, gelijktijdig en ook wel gezamenlijk met personen die onmiskenbaar in dienstbetrekking werkzaam waren bij gedaagde. De werkzaamheden waren ingebed in de bedrijfsvoering van gedaagde en behoorden tot de kernactiviteiten van het bedrijf van gedaagde.

De Raad overweegt als volgt.

In de brief van 15 juni 2005 heeft appellant de Raad medegedeeld het hoger beroep voorzover het ziet op de verzekeringsplicht van [werknemer 1], [werknemer 2] over de jaren 1997 en 1998 en [werknemer 4] over het jaar 1999, in te trekken. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant medegedeeld dat appellant besloten heeft tot het gedeeltelijk intrekken van het hoger beroep omdat voor de voornoemde personen over de betreffende jaren geen nota’s meer zouden kunnen worden opgelegd. Nader onderzoek van appellant heeft echter uitgewezen dat de nota’s reeds aan gedaagde waren opgelegd.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsplicht van [werknemer 1] en [werknemer 2] over de jaren 1997 en 1998 en [werknemer 4] over het jaar 1999 in hoger beroep niet langer ter discussie staat.

In hoger beroep is tussen partijen mitsdien nog slechts in geschil de verzekeringsplicht van [werknemer 3] en [werknemer 5] over de jaren 2000 en 2001 en [werknemer 4], over het jaar 2000, verder: betrokkenen. Gelet op de door appellant geformuleerde gronden spitst het hoger beroep zich toe op de vraag of betrokkenen in de in geding zijnde perioden onder gezag van gedaagde werkzaamheden hebben verricht, zulks in het kader van de beoordeling of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen gedaagde en betrokkenen. [werknemer 3] is als ijzerwerker voor gedaagde werkzaam geweest, [werknemer 5] verrichtte laswerkzaamheden en [werknemer 4] heeft specialistische laswerkzaamheden voor gedaagde verricht.

De Raad komt op grond van het navolgende, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat appellant het bestaan van een gezagsverhouding tussen gedaagde en betrokkenen in de in geding zijnde perioden voldoende heeft aangetoond.

Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn vaste jurisprudentie sprake is indien door de werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. In een situatie als de onderhavige, waarin de werkzaamheden als wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering in de onderneming zijn opgenomen, is de Raad van oordeel dat het ontbreken van werkgeversgezag ten aanzien van diegene die deze werkzaamheden uitvoert niet aannemelijk is.

De Raad stelt voorop dat uit de gedingstukken - waaronder met name het rapport buitendienst verzekeringsplicht van 21 februari 2003 en de verslagen van de daarop volgende gesprekken met betrokkenen - genoegzaam is komen vast te staan dat gedaagde betrokkenen bij het uitvoeren van de werkzaamheden aanwijzingen en opdrachten kon geven. Anders dan in de situatie van de lassers in de voormelde uitspraak van de Raad van 30 maart 2000 vond in de onderhavige situaties niet slechts een eindcontrole van het afgeleverde product plaats, doch werden betrokkenen eveneens tussentijds door gedaagde gecontroleerd.

In dit kader hecht de Raad eveneens waarde aan de omstandigheid dat de door betrokkenen verrichte werkzaamheden onderdeel uitmaakten van een totaal project, te weten het bouwen of repareren van een schip. De Raad is van oordeel dat de werkzaamheden zijn ingekaderd in de bedrijfsvoering van gedaagde en daarvan een wezenlijk onderdeel uitmaakten.

Voorts is naar het oordeel van de Raad voldoende komen vast te staan dat de door betrokkenen verrichte werkzaamheden merendeels werden verricht op de scheepswerf van gedaagde op vaste tijden en op vaste dagen, mitsdien op tijden en dagen dat het vaste personeel eveneens werkzaam was.
De Raad merkt ten aanzien van de gezagsrelatie tussen gedaagde en [werknemer 4] nog op dat het enkele feit dat de door [werknemer 4] verrichte laswerkzaamheden door derden werden gecontroleerd onvoldoende is om te concluderen dat er geen gezagsrelatie aanwezig is tussen gedaagde en [werknemer 4]. Met name uit de verklaring van [werknemer 4] afgelegd ten overstaan van buitendienstmedewerker van gedaagde [naam buitendienstmedewerker] op 1 april 2003 blijkt dat [werknemer 4] verplicht was opdrachten en aanwijzingen van gedaagde op te volgen, ‘tenzij er iets onredelijks werd gevraagd’.
De Raad is voorts niet gebleken dat [werknemer 3], die van 28 april 1997 tot 14 januari 2000 als ijzerwerker bij gedaagde in loondienst werkzaam is geweest, eind 2000 op wezenlijk andere voorwaarden voor gedaagde werkzaam is geweest, zodat een gezagsrelatie tussen gedaagde en [werknemer 3] reeds op deze grond aanwezig dient te worden geacht.

Ten aanzien van het gestelde door gedaagde dat sprake is van een situatie van willekeur, nu voor een deel van de zelfstandigen met de gedeeltelijke intrekking van het hoger beroep door appellant geen verzekeringsplicht wordt aangenomen en voor een ander deel wel, terwijl de zelfstandigen onder min of meer vergelijkbare omstandigheden werkzaamheden verrichtten, oordeelt de Raad als volgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant toegelicht dat het gedeeltelijk intrekken van het hoger beroep door appellant op een misverstand berust, daar appellant in de veronderstelling verkeerde dat er geen correctienota’s over de jaren 1997 tot en met 2000 zouden zijn opgelegd, hetgeen naar achteraf is gebleken ten onrechte werd aangenomen. De Raad is van oordeel dat het voornoemde misverstand en de daaruit voortvloeiende gedeeltelijke intrekking van het hoger beroep geen rechten schept voor de (overige) jaren waarop de verzekeringsplicht van betrokkenen betrekking heeft. De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van willekeur.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x