Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU2263
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-09-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zijn de freelancewerkzaamheden die de journalist voor appellante heeft verricht aan te merken als een arbeidsverhouding, die leidt tot verzekeringsplicht?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2865 ALGEM en 04/2867 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellante heeft J. ter Welle, verbonden aan Countus accountants + adviseurs B.V. te Zwolle, op bij aanvullend hoger beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 26 april 2004 onder kenmerk 02/1390 en 03/417 door de rechtbank te Zwolle gegeven uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn behandeld ter zitting van de Raad van 9 juni 2005, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde J. ter Welle en waar gedaagde werd vertegenwoordigd door L.E. Willemen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante geeft een wekelijkse advertentiekrant uit. Daarnaast heeft zij tot het jaar 2001 een plaatselijke kabelkrant geëxploiteerd. Vanaf het jaar 1996 maakte appellante gebruik van de diensten van de freelance fotojournalist [journalist] (hierna: [journalist]), wiens geschikt bevonden foto’s werden gepubliceerd, zowel in het weekblad als op de kabelkrant. [journalist] was op alle dagen van de week voor appellante werkzaam en declareerde wekelijks aan de hand van een vast bedrag per foto en de daarnaast gemaakte kosten.

Bij besluit van 15 november 2002 heeft gedaagde haar besluit gehandhaafd dat [journalist] zijn freelance werkzaamheden voor appellante heeft verricht in een arbeidsverhouding, die leidt tot verzekeringsplicht op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten in verbinding met artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, nr. 655 (hierna: het KB).
Bij besluit van 19 maart 2003 heeft gedaagde de correctienota’s over de jaren 1997 tot en met 2001 gehandhaafd, die zij in verband met de werkzaamheden van [journalist] heeft opgelegd.

De beroepen van appellante zijn door de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij, samengevat, overwogen dat aan alle voorwaarden voor het aannemen van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 van het KB is voldaan en voorts dat de uitzondering die in artikel 2 van de ministeriële beschikking van 23 december 1986, Stcrt. 1986, 251 is gemaakt voor auteurs en redactiemedewerkers niet op [journalist] van toepassing is, nu deze beroepsmatig als auteur/redactiemedewerker voor appellante werkzaam is en niet kan worden gezegd dat hij als zelfstandige werkzaam was. De rechtbank was ten slotte van oordeel dat gedaagde niet is gebonden aan het oordeel van de Belastingdienst.

Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van deze uitspraak bestreden. Zij heeft aangevoerd dat gedaagde ten onrechte met terugwerkende kracht verzekeringsplicht aanwezig heeft geacht voor de freelance werkzaamheden van [journalist] en dat dit is gebeurd op basis van onjuiste mededelingen van [journalist] en kennelijk onder invloed van de omstandigheid dat [journalist] in het jaar 2001 voor zes uur per week andere, wél verzekeringsplichtige redactiewerkzaamheden ten kantore van appellante is gaan verrichten. Appellante is van mening dat [journalist] zijn fotografiewerkzaamheden heeft verricht als zelfstandige, zodat hij op grond van artikel 8 van het KB als niet verplicht verzekerd moet worden aangemerkt. Het bevreemdt appellante ten slotte dat gedaagde zich in het besluit op bezwaar baseert op artikel 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten, terwijl aanvankelijk artikel 3 van deze wetten aan de verzekeringsplicht ten grondslag was gelegd.

De Raad overweegt als volgt.

Het staat gedaagde vrij in het besluit op bezwaar de grondslag van zijn beslissing te wijzigen, aangezien de bezwarenprocedure een volledige heroverweging van het primaire besluit inhoudt.

Appellante heeft niet betwist dat de arbeidsverhouding tussen haar en [journalist] voldoet aan alle voorwaarden van artikel 5, eerste en derde lid, van het KB. In beginsel is sprake van een met een dienstbetrekking gelijkgestelde arbeidsverhouding. Appellante bestrijdt verder niet dat [journalist] aangemerkt moet worden als een beroepsmatig werkend auteur of redactiemedewerker. De uitzondering op de verzekeringsplicht voor niet-beroepsmatig werkende auteurs en redactiemedewerkers is niet van toepassing.
Het geding spitst zich aldus toe op de vraag of [journalist] voor zijn fotojournalistieke werk voor appellante beschouwd moet worden als zelfstandige, in welk geval hij op grond van artikel 8 van het KB niet verplicht verzekerd is.

Met gedaagde en de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat [journalist] niet als zelfstandig ondernemer kan worden aangemerkt. Zelfs wanneer in aanmerking wordt genomen dat [journalist] moet investeren in fotoapparatuur, dat hij een administratie voert en dat de vermelding van zijn naam onder een foto zijn bekendheid in het maatschappelijk verkeer bevordert, dan nog is van dit onvoldoende betekenis om te kunnen zeggen dat hij als zelfstandig ondernemer werkzaam was. In dit verband acht de Raad doorslaggevend dat appellante over alle in geding zijnde jaren vrijwel de enige opdrachtgeefster van [journalist] was en dat, gelet op de continuïteit van het werk voor appellante, van enig ondernemersrisico voor [journalist] geen sprake is geweest.

Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Immers, er zijn geen eerdere looncontroles geweest waarbij de werkzaamheden van [journalist] ter sprake zijn gekomen. Evenmin heeft gedaagde of zijn rechtsvoorganger in het verleden uitlatingen gedaan waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat [journalist] geen verzekeringsplichtige arbeid verrichtte.

Tegen het opleggen van correctienota's, noch tegen de hieraan ten grondslag liggende berekeningen zijn afzonderlijke grieven aangevoerd, zodat een en ander geen bespreking behoeft.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x