Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU4368
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht verzekeringsplicht aangenomen voor de werkzame docenten?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1456 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. E.A. Kazzaz-de Hoog, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 5 februari 2004, kenmerk 03/1054.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 augustus 2005, waar appellante niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M. Odijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


[Betrokkene] (hierna: [betrokkene]) had sinds 1988 een eenmanszaak, genaamd Instituut [naam instituut], waarin hij huiswerkcursussen gaf. Daarnaast heeft [betrokkene] in september 1993 een opleiding opgezet om leerlingen voor te bereiden op het staatsexamen MAVO, HAVO en VWO. Al deze activiteiten zijn per 1 januari 1994 ondergebracht in de vennootschap onder firma Instituut voor Studiebegeleiding [naam instituut], die is opgericht door [betrokkene] en zijn partner [partner]. Deze vennootschap is met ingang van 30 mei 2001 omgezet in de besloten vennootschap [naam instituut] B.V., waarvan [betrokkene] en zijn echtgenote [echtgenote] bestuurders zijn. De handelsnaam is [naam maatschap] en de bedrijfsomschrijving luidt: geven van onderwijs, cursussen en examentraining.

In februari 1995 heeft gedaagde op verzoek van [betrokkene] een onderzoek verricht naar de mogelijke verzekeringsplicht van de voor laatstgenoemde opleiding aangetrokken docenten (hierna: de docenten). Op grond van dit onderzoek heeft gedaagde besloten dat de docenten met ingang van 1 september 1993 verplicht verzekerd zijn ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Bij besluit van 16 augustus 1996 is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde toegezegd de verzekeringsplicht van de docenten per 1 september 1996 opnieuw te beoordelen omdat de situatie volgens appellante sindsdien was gewijzigd. Bij uitspraak van 19 november 1998 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 20 juni 1997, waarbij het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond is verklaard, bevestigd.

In oktober 1996 heeft gedaagde opnieuw een onderzoek naar de verzekeringsplicht van de docenten uitgevoerd, waarvan de conclusie luidt dat de situatie per 1 september 1996 feitelijk niet is veranderd. Begin december 1996 heeft appellante gedaagde een kopie gezonden van een overeenkomst, gedateerd 13 november 1996. Deze houdt in dat elf personen waaronder [betrokkene] onder de naam Maatschap School voor Staatsexamen (SVS) een maatschap met elkaar aangaan teneinde voor gezamenlijke rekening de maatschap SVS als cursusleiders te exploiteren. De maatschap is aangegaan voor de duur van een jaar, namelijk het cursusjaar 1996/1997.

Blijkens het primaire besluit van 21 mei 1997 heeft gedaagde ten aanzien van de verzekeringsplicht van de docenten werkzaam bij de maatschap, die dan [naam maatschap] wordt genoemd en staat ingeschreven bij Cadans onder de naam VOF Instituut voor Studiebegeleiding [naam instituut], geconcludeerd dat zij ook per 1 september 1996 verplicht verzekerd zijn. Als werkgever wordt de VOF Instituut voor Studiebegeleiding [naam instituut] aangemerkt. Bij besluit van 10 december 1997 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 mei 1997 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat er met ingang van 1 september 1996 geen sprake meer is van een dienstbetrekking tussen appellante en de docenten. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat er weliswaar nog steeds een bepaalde mate van verstrengeling tussen [naam instituut] en [naam maatschap] is, maar dat de elementen die wijzen op een scheiding tussen beide bedrijven sterker moeten wegen dan de resterende verstrengeling. Deze beslissing is gebaseerd op namens appellante tijdens de hoorzitting verstrekte gegevens.

Op 24 oktober 2000 heeft een looninspecteur van gedaagde bij een looncontrole geconstateerd dat de maatschap [naam maatschap] geen eigen administratie/boekhouding bijhoudt en opgemerkt dat de destijds genomen beslissing over de verzekeringsplicht van de docenten op een onjuiste voorstelling van zaken door appellante berust. Bij besluit van 31 oktober 2001 heeft gedaagde het besluit van 10 december 1997 ingetrokken omdat dit op een onjuiste voorstelling van zaken berust. Op 1 november 2001 heeft gedaagde besloten appellante een premienavordering over de periode van 1 januari 1996 tot 1 september 1996 over 8/12e deel van f 93.501,-- op te leggen. Tegen de intrekking van het besluit van 10 december 1997 en de premienavordering heeft appellante bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij besluit van 31 januari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op het beroep van appellante tegen dat besluit gemotiveerd overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat de situatie met betrekking tot de verplichting tot loonbetaling en de gezagsverhouding per 1 september 1996 wezenlijk is veranderd ten opzichte van de periode waarover de Raad heeft geoordeeld, terwijl er ook sprake is van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat de docenten vanaf 1 september 1996 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot appellante en dus verplicht verzekerd zijn. Het betoog van appellante dat gedaagde niet kon terugkomen van zijn besluit het maatschapsverband [naam maatschap] te erkennen brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat gedaagde zijn eerdere beslissing mocht wijzigen nu deze is gebaseerd op foutieve informatie.

Appellante beklaagt zich er in hoger beroep over dat bij de looncontrole in 2000 in verband met enige achterstand in de administratie van de maatschap het bestaan ervan simpelweg is ontkend en de maten met terugwerkende kracht als werknemers van appellante zijn aangemerkt. De docenten werken volgens appellante zelfstandig onder eigen verantwoordelijkheid, zijn vrij in de invulling van hun cursus, hebben geen recht op betaling van loon, werken niet in een gezagsverhouding, zijn niet verplicht de cursus persoonlijk te geven en zijn volledig vrij om vervanging van docent en verplaatsing van lesuur en -locatie te regelen met hun leerlingen, wat vrij regelmatig voorkomt. De docenten delen in winst en/of verlies en als zij daarvan in goed onderling overleg willen afwijken is dat juist een bevestiging van hun vrijheid en gelijkwaardigheid. Juist omdat zij vrij zijn in de invulling van hun cursus en slechts verantwoordelijk zijn jegens hun leerlingen, is er geen behoefte aan frequente maatschapsvergaderingen. Gedaagde heeft bij besluit van 10 december 1997 de maatschap [naam maatschap] erkend. Nu de maatschap nog steeds in alle vrijheid op dezelfde wijze functioneert is het onjuist om appellante enige verplichting met betrekking tot de maten op te leggen. Appellante heeft bewijs aangeboden van al haar stellingen, met name door middel van getuigen, en heeft twee verklaringen van maten van [naam maatschap] overgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als grondslag voor verzekeringsplicht en premieplicht moet zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten een gezagsverhouding, de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en de verplichting tot loonbetaling. Met de uitspraak van de Raad van 19 november 1998 is komen vast te staan dat de docenten tot 1 september 1996 werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot appellante. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de feitelijke situatie waarin de docenten werkzaam waren per 1 september 1996 wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie voor die datum. De destijds door appellante in het vooruitzicht gestelde ontkoppeling van de huiswerkbegeleiding enerzijds en de voorbereiding op staatsexamens anderzijds is niet van de grond gekomen. De enige concrete aanwijzing voor de gestelde ontkoppeling is de maatschapsovereenkomst van 13 november 1996. Gebleken is echter dat de maatschap niet als zelfstandige entiteit is gaan functioneren. Er was geen eigen boekhouding en administratie. Er is niet gebleken van een eigen bankrekening noch van een huurcontract. De docenten declareerden op papier van appellante en werden betaald via de bankrekening van appellante. Het lesgeld werd, evenals de betaling voor huiswerkbegeleiding, gestort op de rekening van appellante. [betrokkene] zorgde voor de administratie van de maatschap en vervulde ook overigens een coördinerende rol. Een vast percentage van de inkomsten van appellante werd toegerekend aan elk van de activiteiten. [betrokkene] nam het verlies van de maatschap voor zijn eigen rekening. Bovendien is er na het eerste cursusjaar geen nieuw maatschapscontract gesloten, ondanks dat er docenten zijn weggegaan en nieuwe docenten bij zijn gekomen. Van stilzwijgende verlenging kan dan ook geen sprake zijn. Alles wijst erop dat in de informele werkwijze, zoals die tot 1 september 1996 werd gecoördineerd en aangestuurd door [betrokkene], na 1 september 1996 geen wijziging is gekomen. Appellante heeft haar stelling dat er nadien geen gezagsverhouding, geen verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting en geen verplichting tot loonbetaling meer bestonden niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De verklaring van het administratiekantoor ARO van 9 januari 2004 dat de administraties van maatschap [naam maatschap] en [naam instituut] B.V. afzonderlijk worden bijgehouden, kan niet afdoen aan de constatering bij de looncontrole in november 2000 dat daarvan toen in elk geval geen sprake was. De periode tussen 1 september 1996 en november 2000 is ook te lang om redelijkerwijs nog van (slechts) een achterstand in de administratie te kunnen spreken. Ook de in hoger beroep overgelegde verklaringen van twee docenten leiden niet tot een ander oordeel. De door hen beschreven vrijheid bij het verrichten van hun werkzaamheden als docent moet inherent geacht worden aan de aard van hun werk. De Raad acht zich voldoende voorgelicht door de stukken en het verhandelde ter zitting en gaat niet in op het bewijsaanbod van appellante, temeer daar dit niet nader is onderbouwd.

De Raad concludeert dat de docenten hun werkzaamheden na 1 september 1996 niet onder wezenlijk andere voorwaarden verrichtten dan daarvoor en dat er onverminderd een nauwe verstrengeling was tussen de beide activiteiten van appellante. Zo er al op onderdelen veranderingen zijn aangebracht in de werkwijze van de docenten, dan zijn die niet van dien aard dat geoordeeld moet worden dat in de periode hier in geding niet meer aan de drie voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan. De Raad is tot slot met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat gedaagde gerechtigd was om terug te komen van zijn besluit van 10 december 1997, nu is gebleken dat dit besluit op een onjuiste voorstelling van zaken door appellante berust en de verzekeringsplicht van rechtswege is blijven bestaan.

Tegen de premienavordering over 1996 heeft appellante geen concrete gronden aangevoerd. Nu deze navordering voortvloeit uit de verzekeringsplicht van de docenten die met de uitspraak van de Raad van 19 november 1998 in rechte is komen vast te staan, is ook in die navordering geen grond gelegen de aangevallen uitspraak te vernietigen.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2005.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x