Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU5677
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is gedaagde op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard omdat bij het maken van bezwaar is verzuimd de gronden van het bezwaar in te dienen en dit verzuim niet binnen de gestelde termijn was hersteld?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/228 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 10 februari 2005 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank s-Hertogenbosch onder dagtekening 16 december 2004 tussen partijen gewezen uitspraak (kenmerk 03/1580), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij schrijven van 25 maart 2005 is namens gedaagde van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. Staal, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Stevens, fiscaal jurist en mr. A.A. Sprokholt juridisch medewerkster, beiden werkzaam bij Maetz Accountants en Adviseurs te Velserbroek.




II. MOTIVERING


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant gedaagde bij besluit van 7 mei 2003 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat gedaagde bij het instellen van bezwaar verzuimd heeft de gronden van het bezwaar in te dienen en dit verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld.

Bij beslissing van 6 maart 2003 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van het besluit dat verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen wordt aangenomen voor de in haar bedrijf werkzame prostituees. Bij bezwaarschrift van 1 april 2003 is namens gedaagde pro forma bezwaar aangetekend. Appellant heeft hierop de gemachtigde van gedaagde bij brief van 4 april 2003 in de gelegenheid gesteld om de gronden van het bezwaar binnen vier weken in te dienen. Bij schrijven van 2 mei 2003 heeft de nieuwe gemachtigde van gedaagde appellant verzocht om ten aanzien van de motivering van het bezwaarschrift een uitstel te verlenen tot 15 mei 2003 aangezien het feitenonderzoek nog niet geheel was afgerond. Appellant heeft als reactie hierop het bezwaar van gedaagde bij besluit van 7 mei 2003 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en daarbij als haar oordeel uitgesproken dat appellant in dit geval niet in redelijkheid gebruik had behoren te maken van de op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gegeven bevoegdheid om het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk te verklaren.

Appellant is het met deze overweging van de rechtbank niet eens en heeft daartegen aangevoerd dat een verzoek om uitstel voor het indienen van de gronden, met als motivering dat het feitenonderzoek niet geheel is afgerond, geen overmachtsituatie oplevert. Tevens is appellant van mening dat gedaagde door op de laatste dag van de termijn om uitstel te verzoeken bewust het risico heeft genomen dat de fax niet tijdig op het juiste bureau van de desbetreffende persoon terecht zou komen en derhalve geen uitstel verleend zou worden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat het schrijven van 2 mei 2003 een gemotiveerd verzoek om uitstel is voor het indienen van de gronden dat voor afloop van de gegeven termijn bij appellant is ontvangen. Uit de op dit schrijven volgende niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar, waarbij op geen enkele wijze is ingegaan op gedane verzoek om uitstel, blijkt naar het oordeel van de Raad dat appellant een niet adequate reactie heeft gegeven op een gemotiveerd verzoek om uitstel. Reeds om die reden kan het bestreden besluit geen stand houden en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad daarbij op zijn uitspraken te vinden onder nummer LJN AQ0328 en AQ6955.

De Raad acht tot slot termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,00 voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 644,00;
Verstaat dat van appellant een recht van 414,00 wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x