Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU5687
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-10-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht voor directeuren-grootaandeelhouders verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten aangenomen?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/801 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, op bij beroepschrift van 8 februari 2005 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 3 februari 2005 gewezen uitspraak, met kenmerk 03/1038, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een op 10 maart 2005 gedagtekend verweerschrift ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2005, waar partijen - met voorafgaand schriftelijk bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De activiteiten van appellante bestaan uit werving en selectie van financieel, economisch en administratief personeel. Directeuren-grootaandeelhouders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna ook wel als betrokkenen aangeduid) hebben in de periode in geding, 1 januari 2000 tot 1 mei 2000, via hun vennootschappen ieder 29% van de aandelen van appellante in handen. De overige aandelen zijn in handen van [naam BV] (42%). Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft gedaagde voor betrokkenen verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangenomen. Bij besluit van 25 juni 2003 heeft gedaagde een correctienota over 2000 aan appellante opgelegd en bij besluit 30 juni 2003 heeft gedaagde een boetenota over 2000 aan appellante opgelegd. Bij besluit van 19 september 2003 heeft gedaagde de door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat onbetwist zijn gebleven de elementen loon en persoonlijke dienstverrichting en dat voldaan is aan de overige voorwaarde voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de aanwezigheid van een gezagsverhouding, zodat gedaagde op grond van artikel 3 van voornoemde sociale werknemersverzekeringswetten ter zake van de door appellante aan betrokkenen verrichte betalingen terecht premieplicht heeft aangenomen.
Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat haar niet gebleken is dat gedaagde de betreffende regelgeving niet juist heeft toegepast.

Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat de premienota over 2000 niet juist is vastgesteld, omdat er na februari 2000 geen betalingen meer aan [betrokkene 1] zijn gedaan. Voorts is appellante van mening dat de boetenota niet opgelegd had mogen worden omdat zij immer ter goeder trouw heeft gehandeld en er derhalve geen sprake is van opzet of grove schuld.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft aangenomen dat tussen de betrokkenen en appellante een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de genoemde sociale werknemersverzekeringswetten heeft meegebracht. In het bijzonder spitst het geding in hoger beroep zich toe op het antwoord op de vraag of betrokkenen hun werkzaamheden hebben verricht onder gezag van appellante.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank met betrekking tot de hierboven geformuleerde vraag heeft overwogen en verwijst naar de overwegingen die de rechtbank gebezigd heeft. Ten aanzien van de voorwaarde van het bestaan van een gezagsverhouding benadrukt de Raad dat, indien een directeur/aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende stem heeft op de benoeming, de schorsing en - in het bijzonder - het ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij of zij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders, is de Raad te dezen van oordeel dat er onvoldoende materiŽle aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten. Evenmin sluit de wijze van samenwerking binnen de onderneming uit dat in een conflictsituatie waarin de onderscheiden belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn betrokkenen tegen hun wil ontslagen kunnen worden.
Daarnaast is de Raad van oordeel dat appellante ook in hoger beroep geen onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat [betrokkene 1] in de periode in geding geen aanspraak heeft gemaakt op zijn managementvergoeding.

Wat betreft de opgelegde boete van 25% is de Raad van oordeel dat het op de weg van appellante had gelegen om zich bij onzekerheid omtrent het antwoord op de vraag of er sprake is van verzekeringsplicht van directeuren tot gedaagde te wenden teneinde nader geÔnformeerd te worden. Indien de werkgever zulks nalaat neemt hij het risico onjuiste loonopgave te doen. In zulk een geval is de kwalificatie opzet/grove schuld van toepassing, zodat de opgelegde boete van 25% uitdien hoofde gerechtvaardigd is. De Raad ziet ook overigens geen grond de opgelegde boete voor onjuist te houden.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x