Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU5713
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft betrokkene voor onderhavig bedrijf werkzaamheden verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3279 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 20 april 2005 onder kenmerk 03/2698 tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober 2005, waar namens appellante is verschenen [directeur], directeur, bijgestaan door mr. M.A. Misker, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door L.E. Willemen, werkzaam bij het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De activiteiten van appellante bestaan uit de exploitatie van een gereedschapsmakerij. In de periode 6 augustus 2001 tot 25 januari 2002 heeft [betrokkene] (hierna: betrokkene) via zijn eenmanszaak [eenmanszaak] werkzaamheden als gereedschapsmaker voor appellante verricht. Uit een bij appellante op 20 maart 2003 en 3 april 2003 gehouden looncontrole is gebleken dat de betalingen die zijn verricht aan betrokkene niet in de loonadministratie zijn verantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde bij besluiten van 25 en 30 juni 2003 over de jaren 2001 en 2002 correctienota’s en boetenota’s opgelegd. Aan die besluiten ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat betrokkene in de jaren 2001 en 2002 voor appelante werkzaamheden heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft gedaagde deze besluiten na bezwaar gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2003 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat er sprake is van een gezagsverhouding en dat de werkzaamheden van betrokkene dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden die zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De Raad dient de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen betrokkene en appellante, teneinde vast te stellen of het bestreden besluit in stand kan blijven.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad is het aan gedaagde om op basis van de feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van een gezagsverhouding. De Raad is van oordeel dat gedaagde hierin niet is geslaagd. De Raad overweegt gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zijner zitting, dat onvoldoende is gebleken van een gezagsverhouding van appellante ten opzichte van betrokkene. Gedaagde heeft zich onvoldoende inzicht verschaft in de feitelijke situatie waarin betrokkene werkzaam was en heeft onvoldoende blijk gegeven van een beoordeling van de verzekeringsplicht aan de hand van die feitelijke situatie. De Raad heeft geen concrete aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat betrokkene bij het uitvoeren van de werkzaamheden organisatorische dan wel werkinhoudelijke aanwijzingen diende op te volgen. Nadat betrokkene duidelijk was gemaakt welke werkzaamheden van hem werden verwacht tegen welke prijs, werden de werkzaamheden volledig zelfstandig door betrokkene en in een door hem te bepalen tempo uitgevoerd waarbij hij niet samenwerkte met andere werknemers van appellante. De enige controle bestond uit het testen van eindproducten om te zien of aan de gestelde opdracht was voldaan. Indien betrokkene zich niet hield aan de kwaliteitseisen, kon dit onder omstandigheden betekenen dat de overeengekomen vergoeding niet uitbetaald werd.

De Raad is voorts van oordeel dat de werkzaamheden van betrokkene niet kunnen worden aangemerkt als een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van appellante. Het door betrokkene vervaardigde product onderging geen nadere bewerking door de andere werknemers van appellante die de werkzaamheden van betrokkene overigens ook niet als zodanig konden verrichten. Slechts de directeur kon de werkzaamheden verrichten, maar heeft deze feitelijk nooit verricht. Daarnaast waren de werkzaamheden, die zich uiteindelijk binnen een tijdsbestek van nog geen half jaar hebben voorgedaan, voor appellante van bijkomende aard en hebben ook niet meer plaatsgevonden nadat de desbetreffende speciale klant zijn productieproces naar Tsjechie had verplaatst.

Op grond van het vorenoverwogene komt de Raad tot de conclusie dat betrokkene specifiek grote klussen op aannemingsbasis voor appellante heeft verricht en dat door het ontbreken van een reële gezagsverhouding betrokkene niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot appellante.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit, alsmede de primaire besluiten van 25 juni 2003 en 30 juni 2003 niet in stand kunnen blijven.

De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

Mitsdien dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 26 augustus 2003;
Vernietigt de besluiten van 25 juni 2003 en 30 juni 2003;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag € 966,--, te betalen door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht van in totaal € 646,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x