Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AU8939
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht directieleden. Herziening.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2226 ALGEM en 04/2227 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 9 december 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 10 oktober 2001, waarbij appellant onder intrekking van zijn besluit van 10 november 2000 de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verplicht verzekerd voor de sociale werknemersverzekeringswetten heeft geacht voor de werkzaamheden die zij vanaf 1992 ten behoeve van gedaagde verricht(t)en.

Bij besluit van eveneens 9 december 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 12 oktober 2001, waarbij appellant heeft geweigerd terug te komen van zijn besluiten van 23 en 28 december 1998, inhoudende correctie- en boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1997.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 23 maart 2004, registratienummers 03/169 en 03/220, de namens gedaagde tegen deze besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, bepaald dat appellant binnen dertien weken na de datum van de verzending van deze uitspraak nadere besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, bepaald dat het Uwv de door gedaagde betaalde griffierechten vergoedt en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 26 mei 2004 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. E. van Waaijen, werkzaam bij Du Vent Advies B.V., een verweerschrift, gedateerd 13 augustus 2004, ingediend.

Bij brief van 23 mei 2005 zijn namens gedaagde nadere stukken ingezonden.

Bij faxbericht van 29 mei 2005 is namens gedaagde nader gereageerd op het aanvullend beroepschrift van appellant.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juni 2005, waarbij voor appellant is verschenen mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uwv, en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. Van Waaijen en [betrokkene 2], voornoemd.




II. MOTIVERING


Naar aanleiding van een op 25 juni 1998 uitgevoerde looncontrole, waarvan rapport is opgemaakt op 3 december 1998, heeft appellant gedaagde correctie- en boetenota’s doen toekomen over de jaren 1993 tot en met 1997, gedateerd 23 en 28 december 1998. Deze nota’s zien in hoofdzaak op niet afgedragen premies over de betalingen verricht aan twee directieleden van gedaagde, de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Aan de nota’s ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat beide heren verplicht verzekerd zijn voor de sociale werknemersverzekeringswetten.

Bij besluit van 7 april 1999 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen deze nota’s niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 27 juni 2000 heeft de rechtbank het tegen dat besluit door gedaagde ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 oktober 2001 heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Hangende de procedure met betrekking tot voormelde nota’s is namens de heren Ghijben en Menger bij brief van 26 juli 1999 aan appellant verzocht hun arbeidsverhouding tot gedaagde te beoordelen. Blijkens deze brief stellen zij zich op het standpunt dat er geen sprake is van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding. Naar aanleiding van dit verzoek heeft een inspecteur van appellant op 25 april 2000 een gesprek gehad met de gemachtigde van beide heren alsmede met een vertegenwoordiger van gedaagde. Van zijn bevindingen heeft de inspecteur op 2 oktober 2000 rapport opgemaakt. De inspecteur heeft daarin voorgesteld om geen verplichte verzekering aan te nemen, onder meer op de grond dat geen financiële schade is geleden omdat beide heren geen aanvraag om een uitkering hebben ingediend. Bij besluit van 10 november 2000, gericht aan gedaagde, heeft appellant, beide heren voor en na 1 oktober 1994 niet verplicht verzekerd geacht voor de sociale werknemersverzekeringswetten, omdat een gezagsverhouding ontbreekt.

Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 30 januari 2001 appellant verzocht om de correctie- en boetenota’s in te trekken. Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft appellant zijn besluit van 10 november 2000 ingetrokken. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 12 oktober 2001 afwijzend beslist op het verzoek van 30 januari 2001 van gedaagde.

Bij de in rubriek I vermelde besluiten van 9 december 2002 heeft appellant zijn besluiten van 10 en 12 oktober 2002 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 9 december 2002 door gedaagde ingestelde beroepen gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank allereerst overwogen dat appellant met zijn besluit van 10 oktober 2001 ten nadele van gedaagde is teruggekomen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 10 november 2000. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad dat een bestuursorgaan niet gerechtigd is om ten nadele van een betrokkene terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit, indien niet is komen vast te staan dat dit besluit zonder meer onjuist is, dient naar het oordeel van de rechtbank beoordeeld te worden of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het besluit van 10 november 2000 zonder meer onjuist is, omdat Menger en Ghijben vanaf 1 januari 1992 ten behoeve van gedaagde in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam zijn geweest. Vervolgens is de rechtbank voor wat betreft de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1994 tot het oordeel gekomen dat Menger en Ghijben hun werkzaamheden hebben verricht als gezamenlijke ondernemers. Van een gezagsverhouding is geen sprake geweest. Voor wat betreft de periode 1 oktober 1994 tot 1 oktober 1997 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking onvoldoende is gebleken.

Appellant kan zich hiermede niet verenigen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat met betrekking tot het besluit van 10 oktober 2001 niet gezegd kan worden dat daarmee ten nadele van gedaagde is teruggekomen van het besluit van 10 november 2000, nu het te dezen gaat om de verzekeringsplicht van beide heren, welke plicht van rechtswege ontstaat. In de visie van appellant is het besluit van 10 oktober 2001 een neutraal besluit. Voorts heeft appellant gesteld dat het besluit van 10 november 2000 wel degelijk evident onjuist was. Met betrekking tot het besluit van 12 oktober 2001 heeft appellant aangevoerd, dat ook al is hij ten onrechte teruggekomen van zijn besluit van 10 november 2000, zulks nog niet behoeft te betekenen dat de opgelegde correctie- en boetenota’s dienen te vervallen. Daarbij heeft appellant onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad met betrekking tot herzieningsverzoeken (uitspraken van 4 december 2003 (USZ 2003/52), 24 december 2003 (RSV 2004/90), 30 maart 2004 (USZ 2004/180) en 20 april 2004 (RSV 2004/258)) gesteld dat wanneer er geen sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden - en daarvan is naar de mening van appellant in het geval van gedaagde niet gebleken - zonder nader onderzoek zodanig verzoek mag worden afgewezen onder verwijzing naar het besluit, waarvan herziening is verzocht. Een toets naar de evidente onjuistheid van het laatstbedoelde besluit behoeft niet plaats te vinden.

De Raad is van oordeel dat het besluit van 10 november 2000 als onjuist moet worden aangemerkt, althans dit besluit moet op een vergissing hebben berust. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat, nog daargelaten dat het verzoek van 26 juli 1999 is gedaan namens beide heren en niet door gedaagde, bij dat verzoek geen melding is gemaakt van het gegeven dat de arbeidsverhouding al was beoordeeld en die beoordeling ook had geresulteerd in het opleggen van correctie- en boetenota’s over de jaren 1993 en 1997. De Raad meent dat het op de weg van de verzoeker had gelegen om dit te vermelden. Niet volstaan kon worden met een verzoek om de arbeidsverhouding te beoordelen. Verzocht had moeten worden om deze verhouding nogmaals te beoordelen, dan wel om terug te komen van de eerdere beoordeling vervat in het looncontrolerapport van 3 december 1998. Uit het rapport van 2 oktober 2000 blijkt niet dat dit looncontrolerapport mede in de beoordeling is betrokken. De Raad wijst er hierbij op dat de inspecteur in zijn rapport van 2 oktober 2000 heeft vermeld dat hij heeft gevraagd waarom pas na jaren om een beoordeling van de arbeidsverhouding wordt gevraagd, en als antwoord heeft gekregen dat er altijd vanuit is gegaan dat er geen sprake was van verzekeringsplicht, doch dat beide heren thans behoefte hebben aan zekerheid over hun verleden. Voorts wijst de Raad op de redengeving, vervat in het rapport van 2 oktober 2000, om geen verzekeringsplicht aan te nemen. De Raad houdt het ervoor dat pas na het besluit van 10 november 2000, welk besluit overigens niet vermeldt dat is teruggekomen van de eerdere beoordeling, en in het bijzonder na het verzoek van gedaagde van 30 januari 2001 appellant is gebleken dat de arbeidsverhouding al was beoordeeld. Onder de hier vermelde omstandigheden acht de Raad geen rechtsgrond aanwezig voor het oordeel dat appellant niet mocht terugkomen van zijn besluit van 10 november 2000.

Het vorenstaande brengt met zich dat, naar appellant terecht onder verwijzing naar de door hem genoemde uitspraken van de Raad heeft gesteld, de vraag moet worden beantwoord of er sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden, en, zo ja, of daarin appellant aanleiding had moeten zien om terug te komen van zijn eerdere besluitvorming, in het bijzonder de aan gedaagde opgelegde correctie- en boetenota’s over de jaren 1993 tot en met 1997. Reeds omdat er naar het oordeel van de Raad geen sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat appellant niet in redelijkheid tot zijn besluiten van 9 december 2002 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De conclusie uit het hiervoor overwogene is dat onder vernietiging van de aangevallen uitspraak de inleidende beroepen alsnog ongegrond moeten worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x