Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AV1416
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzekeringsplicht prostituees/masseuses. Privaatrechtelijke dienstbetrekking.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1391 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. drs. E. Gritter, advocaat te Groningen, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen, kenmerk 03/986, van 17 januari 2005.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 november 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Gritter voornoemd en mr. E.P. Groot, beiden advocaat te Groningen. Gedaagde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr. R.P. Bourne en mr. H.C. Buist, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Blijkens een op onderzoek gebaseerd rapport van de Belastingdienst ondernemingen Groningen van 5 december 2002 in samenwerking met de dienst van gedaagde is geconstateerd dat er in verhuurde kamers van de massagesalon van appellante bedrijfsmatig erotische diensten worden verleend door masseuses tevens gastdames ten gerieve van cliŽntŤle.
Mede gelet hierop heeft gedaagde bij besluit van 2 mei 2003 verplichte verzekering uit hoofde van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van de masseuses aangenomen op grond van het bepaalde in de artikelen 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dit standpunt is door gedaagde na bezwaar en een op 12 augustus 2003 gehouden hoorzitting gehandhaafd bij het in geding zijnde besluit van 1 september 2003 onder meer omdat appellante als eigenares van een erotische massagesalon een geheel van omstandigheden creŽert waarbinnen betrokkenen de klanten ontvangen. Naar het oordeel van gedaagde is er een organisatorisch kader met werkplanning en arbeidsvoorwaarden geschapen waarbinnen betrokkenen de onderhavige werkzaamheden kunnen verrichten en maken die werkzaamheden een essentieel onderdeel uit van de bedrijfsvoering. Volgens gedaagde is het onaannemelijk dat in die tegen vergoeding persoonlijk verrichte arbeid gezag heeft ontbroken.
Dat daarbij bepaalde door de gemeente opgelegde regels dienen te worden opgevolgd doet aan het vorenstaande niet af.
Opvolgende besluiten van 12 mei 2003 betreffen ook premies over - per medio - 2002 en voorschotpremies over 2003.

De rechtbank Groningen oordeelt in de aangevallen uitspraak dat er, gelet op het aannamebeleid, sprake is van de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting door de masseuses en dat, waar per massage betaling volgt, aan het vereiste van loonbetaling wordt voldaan. Waar appellante meer doet dan het enkel verhuren van kamers, ziet de rechtbank ook een reŽle gezagsverhouding tussen appellante en de masseuses tot uitdrukking komen. Zij leidt die af uit het gericht zijn van de bedrijfsvoering op het door haar werven van klanten en het in de gelegenheid stellen tot de omgang door de cliŽntŤle met de masseuses. Daartoe kan van het gehele pand gebruik worden gemaakt, worden er door appellante afspraken met de klanten gemaakt, wordt er door haar toezicht gehouden op aanwezigheid, werktijden en de hygiŽne en kunnen de klanten bij haar terecht voor - blijvende - klachten. De rechtbank acht dan ook een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten tussen appellante en de masseuses aanwezig.
Evenmin is de rechtbank gebleken dat gelijke gevallen ongelijk door gedaagde zijn behandeld. De rechtbank heeft het beroep van appellante derhalve ongegrond verklaard.

In hoger beroep bestrijdt appellante de uitspraak van de rechtbank. Zij keert zich tegen onderzoek en bewijsvoering in die zin dat bij een inspectie alleen een toen aanwezig aantal masseuses tevens gastdames in relaxte sfeer is bevraagd. Volgens haar is er geen sprake van een tot verzekeringsplicht leidende gezagsverhouding tussen appellante en de masseuses en maken de dames zelf uit wanneer zij werken en welke werkzaamheden zij uitvoeren. Vervanging is onderling mogelijk en betaling geschiedt rechtstreeks aan de masseuses die zich voor speciale diensten extra kunnen laten betalen.
Zij acht het onbehoorlijk bestuur dat zij als enige onderneming in de provincie Groningen zou zijn aangepakt en zij ziet zichzelf als proefkonijn met wier financiŽle belangen onzorgvuldig wordt omgesprongen.

Gedaagde heeft zich in verweer aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank en meent zich terecht in de oordeelsvorming te hebben gebaseerd op meergenoemd rapport van de Belastingdienst - in samenwerking met de eigen dienst - om een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten staande te houden. Daarbij zijn tegenover de controleurs ongeacht de sfeer hanteerbare verklaringen afgelegd over de wijze waarop binnen de betrokken onderneming wordt gewerkt ook in de relatie tussen appellante en de betrokken masseuses.

De Raad overweegt als volgt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting.

Evenals de rechtbank acht hij onderzoek en bewijsvoering welke mede steunt op een basisrapport van de Belastingdienst - in goede samenwerking met de dienst van gedaagde - en een representatieve bevraging en beantwoording door een aantal betrokkenen behelst, toelaatbaar en genoegzaam verantwoord en juist om hierop uit bestuursrechtelijk oogpunt ook in het licht van zijn eerdere vaste jurisprudentie zorgvuldige conclusies ten aanzien van de al dan niet aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en de masseuses in de hier betrokken vestiging te grondvesten.

Voorts is de Raad tot de overtuiging gekomen dat er ten tijde in geding naar zijdens gedaagde ter zitting van de Raad is gesteld: vanaf de legalisering van de branche per 1 oktober 2000 sprake is geweest van een min of meer geordende geÔntegreerde organisatie tussen appellante en de betrokken masseuses/gastdames om enerzijds eerstgenoemde in staat te stellen haar vestiging met kamerverhuur optimaal op basis van werkplanning en toegespitst op snel specifiek gebruik te exploiteren en anderzijds betrokkenen de gelegenheid te bieden hun diensten tegen betaling voor de cliŽntŤle zo adequaat mogelijk met de nodige sturing en onder toezicht te verlenen. Die sturing en dat toezicht concretiseerden zich hierin dat er algemene omgangs- en huisregels bestonden, dat er uitgesplitste algemene tariefstellingen vooraf kenbaar waren gemaakt voor onderscheidene diensten, dat er regulering bestond door inhoudelijke inroostering met werktijden en een gelegaliseerd vergunningsstelsel met toezicht op naleving van de eisen van de algemene politieverordening en het voorkomen van strafbare feiten.
Daarnevens bestond er screening op aspecten als nationaliteit en meerderjarigheid van betrokkenen en op handhaving van eisen van gezondheid, verblijfsstatus en hygiŽne. Daarin vervulde appellante als beheerder van de desbetreffende vestiging, hoewel ze daarin ook een zonnestudio dreef, onmiskenbaar een betekenende en overheersende rol naar de masseuses toe en de condities waaronder zij werkzaam waren en bezat zij als zodanig als enige de mogelijkheid tot bijsturing, controle en toezicht van een regulier werkgeefster. De zienswijze van appellante als zou haar belang en bemoeienis bij uitstek gelegen zijn in een naastgelegen positie als kamerverhuurster zonder verder geÔntegreerd belang bij de activiteiten welke door betrokkenen ontplooid werden, mist zowel gezien de totale aard van de verrichtingen in haar privť-huis als de complete huisservice inclusief het gebruik van ontvangstkamer alsmede bar-, bad- en toiletvoorzieningen en het aanbieden van gebruikshulpmiddelen benevens gelet op onderscheidene tariefstellingen naar aard van de gewenste dienst volgens de Raad reŽle grondslag. Zulks ook in het licht van de aard van de verkregen vergunning voor exploitatie van een gelegaliseerde seksinrichting als kern van de bedrijfsvoering. Dat de masseuses vrij waren in hun taakvervulling en het bedingen van hen zelf begunstigende bijkomende condities binnenskamers laat onverlet dat zij telkens wanneer zij ingeschakeld werden zich onderhevig stelden aan de algemene regulering en wijze van uitvoering onder toezicht dat voor ieder van betrokkenen gold. De Raad acht daarbij aannemelijk dat ernstige klachten omtrent niet nakoming van gemaakte afspraken tussen betrokkenen en cliŽntŤle e.a. uiteindelijk bij appellante terechtkwamen als eindverantwoordelijke voor de goede gang van zaken in haar privť-huis.
De Raad acht door een en ander het bestaan van een gezagsrelatie tussen appellante en huisbeheerster enerzijds en betrokken erotische masseuses anderzijds in de zin van artikel 3 van de sociale werknemerswetten voldoende gegeven.

Tevens acht de Raad een verplichte persoonlijke arbeidsverrichting door betrokkenen in de zin van evenbedoelde regelgeving genoegzaam vaststaan. Gelet zowel op de specifieke arbeid, het screenen of een betrokkene voor zulk een arbeid geschikt was aan de hand van een intakegesprek, het moeten putten uit een beperkte groep welke hiervoor in aanmerking kwam, is willekeurige vervanging van een van de betrokkenen zonder enige invloed van appellante en beheerster ondenkbaar.

Daarenboven kunnen de betalingen op basis van algemene tariefstellingen welke de betrokkenen voor hun diensten ontvingen na aftrek van kamerhuur e.a. aan appellante niet anders worden beschouwd dan als een directe beloning in contraprestatie voor verrichte arbeid, welke niet zonder het organisatorisch kader en de beschikbaar gestelde voorzieningen vanwege appellante als beheerster en werkgeefster gerealiseerd hadden kunnen worden. De aparte weg waarlangs het betalingsverkeer tussen participanten verliep doet aan het karakter van die betalingen volgens de Raad geen afbreuk. Dit laatste geldt evenzeer voor binnenskamers overeengekomen aanvullende betalingen voor bijkomende verrichtingen.

Nu hierdoor aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in het geval van betrokkenen is voldaan, is het bestaan van verzekeringsplicht van rechtswege te dien aanzien vanaf 1 oktober 2000 een gegeven. Dienaangaande faalt een beroep van appellante op enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur ter ontkoming - zoals het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel benevens het zorgvuldigheidsbeginsel - hierop reeds, omdat het hier gegeven dwingendrechtelijk wettelijk regime zonder meer dient te prevaleren. Dit laat onverlet dat die beginselen wel een rol kunnen spelen bij het tijdstip vanaf en de mate waarin premie metterdaad is verschuldigd.
De Raad acht de grief als zouden de genoemde beginselen in het kader van premievaststelling geschonden zijn te vaag en niet concludent genoeg om doel te kunnen treffen. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat na legalisering van de branche per 1 oktober 2000 bedrijven als de onderhavige die na zorgvuldig onderzoek in gelijksoortige omstandigheden zijn aangetroffen onzorgvuldig en ongelijk zullen worden aangepakt in het kader van een hierna volgende gewogen premieheffing, in casu vanaf medio 2002.

Gelet op het vorenstaande stelt de Raad met de rechtbank vast dat gedaagde terecht en op goede gronden het bestreden besluit heeft genomen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x