Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AV1865
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-01-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellante produceert en monteert aluminium kozijnen en puien.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4788 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. R.J.L. van der Meer, advocaat te Veenendaal, op daartoe nader aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 juli 2004, kenmerk 03/1999.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 november 2005. Namens appellante is verschenen mr. Van der Meer, voornoemd, en gedaagde heeft zich, zoals was aangekondigd, niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellante produceert en monteert aluminium kozijnen en puien.
Tijdens een in juli 2002 bij appellante gehouden looncontrole heeft de looninspecteur geconstateerd dat appellante voor het montagewerk op lokatie gebruik maakt van diensten van het eigen personeel en van montagebedrijven. De montagebedrijven die worden ingehuurd zijn bedrijven met en zonder eigen personeel. Degenen die een montagebedrijf zonder eigen personeel hebben zijn volgens de looninspecteur voor appellante werkzaam in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit standpunt heeft ertoe geleid dat gedaagde bij besluiten van 20 januari 2003 is overgegaan tot het registreren van een verzuim over 1998 en 1999 en tot het opleggen van premiecorrecties over 1998 tot en met 2001. Bij besluiten van 27 januari 2003 heeft gedaagde boetes opgelegd over 1999 tot en met 2001. Bij besluit op bezwaar van 4 augustus 2003 (verder te noemen: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van 20 en 27 januari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voorzover dat betrekking heeft op het jaar 2001. Daaraan ligt ten grondslag de overweging dat het standpunt van gedaagde, voorzover dat ziet op de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor appellante uitgevoerde laswerkzaamheden, niet kan worden gevolgd. Ten aanzien van de door [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (verder te noemen: betrokkenen) voor appellante verrichte montagewerkzaamheden heeft de rechtbank het standpunt van gedaagde onderschreven. Dit geldt eveneens voor de op dat standpunt gebaseerde boetes.

Namens appellante is de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden is de Raad van oordeel dat betrokkenen de montagewerkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking hebben verricht. Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval te worden geconcludeerd dat de drie essentiŽle kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling aanwezig zijn.

Ten aanzien van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] stelt de Raad voorop dat zij aanvankelijk bij appellante in dienstbetrekking werkzaam waren en aansluitend werkzaamheden als vermeende zelfstandige voor appellante zijn gaan verrichten.
Naar de Raad eerder heeft overwogen (verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 20 januari 2005, LJN AS4552) kan in een dergelijke situatie slechts dan worden aanvaard dat niet langer sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, indien ondubbelzinnig blijkt dat na die datum aan een of meer vereisten voor het aannemen van een zodanige dienstbetrekking niet meer wordt voldaan. Hiervan is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

Ook overigens is de Raad van oordeel dat ten aanzien van alle betrokkenen in voldoende mate door gedaagde is aangetoond dat aan de kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt voldaan.

De vergoeding die appellante betaalde aan betrokkenen als contraprestatie voor de door hen verrichte arbeid vormt loon.

Betrokkenen hadden de plicht de arbeid persoonlijk te verrichten. Aan het feit dat zij elkaar onderling vervingen kan niet de betekenis worden toegekend die appellante wil. Betrokkenen hadden niet het recht zich door een willekeurige derde te laten vervangen en het feit dat zij zich - incidenteel - lieten vervangen door andere, gelijkwaardig gekwalificeerde personen brengt naar vaste jurisprudentie van de Raad (verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 24 maart 2005, LJN AT3472) niet mee dat niet is voldaan aan het vereiste van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting. Van een absolute vrijheid van komen en gaan is de Raad evenmin gebleken. Het feit dat betrokkenen hun werkzaamheden voor appellante wel eens moesten staken in verband met een andere spoedklus, acht de Raad dan ook niet van doorslaggevende betekenis.

Met betrekking tot de aanwezigheid van een gezagsverhouding stelt de Raad voorop dat naar vaste jurisprudentie van de Raad (verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 11 mei 2004, LJN AO9646) niet is vereist dat daadwerkelijk instructies worden gegeven, maar dat voldoende is dat de mogelijkheid bestaat tot het geven van aanwijzingen dan wel het uitoefenen van controle en/of toezicht. In dat verband overweegt de Raad dat de rechtbank er terecht op heeft gewezen dat de montagewerkzaamheden die betrokkenen voor appellante hebben verricht behoren tot de kernactiviteiten van het bedrijf van appellante. Niet betrokkenen maar appellante wordt op het eindresultaat afgerekend door de opdrachtgevers van appellante. De werkzaamheden van betrokkenen waren organisatorisch en ook structureel ingebed in de bedrijfsvoering van appellante. Onder dergelijke omstandigheden is niet voorstelbaar dat betrokkenen in voorkomende gevallen niet gehouden zouden zijn organisatorische of werkinhoudelijke aanwijzingen van appellante op te volgen.

Het beroep van appellante op de Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking (Stcrt. 2002, 234) slaagt niet. Naar vaste jurisprudentie van de Raad (verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 29 april 2004, RSV 2004/216) dienen, nu geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de aanspraken en verplichtingen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was gedurende het tijdvak, waarop die verplichtingen betrekking hebben. In het onderhavige geval is de regelgeving zoals die luidde in 1998 tot en met 2001 maatgevend en voornoemde beleidsregels missen dan ook toepassing.

Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het onderzoek van de looninspecteur onzorgvuldig is geweest omdat niet zou zijn gevraagd naar de aanwezigheid van een verklaring arbeidsrelatie (VAR). Het is aan appellante om de arbeidsrelatie met betrokkenen te kwalificeren, waartoe ook moet worden gerekend het bij betrokkenen verifiŽren of zij over een VAR beschikken en indien dat het geval is, de looninspecteur daarop te wijzen.
Eerst in bezwaar heeft appellante afschriften van een op naam van [betrokkene 3], [betrokkene 1] en [betrokkene 5] vanaf 1 januari 2001 gestelde VAR overgelegd.

Het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Daargelaten dat appellante eerst na de periode waarop dit geding betrekking heeft de brochure van de Belastingdienst heeft ontvangen, wijst de Raad erop dat in die brochure ook duidelijk is vermeld dat een VAR niet uitsluit dat desondanks een privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig is. Dat de bewijslast voor het bestaan van een dienstbetrekking bij aanwezigheid van een VAR op gedaagde rust maakt dit niet anders, nu gedaagde daaraan ruimschoots heeft voldaan.

De Raad is voorts van mening dat niet gezegd kan worden dat het onderzoek en de daarop gebaseerde besluitvorming van gedaagde zou getuigen van willekeur. Het door de looninspecteur gemaakte onderscheid tussen ingeleende bedrijven met en zonder personeel acht de Raad een voor de hand liggend onderscheid met het oog op de plicht tot persoonlijke arbeidsverrichting. Hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de mogelijkheid van vervanging doet daaraan niet af. Voorts overweegt de Raad dat niet is gebleken dat appellante door dit onderscheid is benadeeld of dat appellante gebruik zou hebben gemaakt van de diensten van een vennootschap onder firma zonder personeel.

Tot slot overweegt de Raad dat hetgeen is aangevoerd tegen de boetenotaís geen doel treft. De overwegingen van de rechtbank die hierop betrekking hebben worden door de Raad ten volle onderschreven.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. B.J. van der Net en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006.

(get). R.C. Schoemaker.

(get). M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x