Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AW2057
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Premienota. Is er sprake van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding van het bemanningslid van een vissersvaartuig met aanspraak op een aandeel in de besomming? Moeten de deelvissers worden aangemerkt als mede-exploitanten? Economisch bedrijfsrisico?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4102 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 17 juni 2003 onder kenmerk 02/466 tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift en desgevraagd een aanvulling hierop ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 januari 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Hoekstra, advocaat te Amsterdam, en als medegemachtigde J.H. Mooijman, secretaris van het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. C. Groenewegen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een vissersbedrijf dat zich met name toelegt op de visserij op het IJsselmeer. Daarbij maakt zij gebruik van zogenaamde deelvissers als bemanningsleden, te weten de visvergunninghouders en certificaatbezitters P.J. [B.], D.J. [L. jr]. en W.J. [M.]. In 1999 heeft gedaagde een gericht onderzoek verricht naar de bedrijven in de visserijbranche die nog niet bij gedaagde waren aangesloten. In het kader van dat onderzoek heeft gedaagde bij appellante een looncontrole uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 7 december 1999. Daarin is geconcludeerd dat voor de betrokken deelvissers ten onrechte geen verzekeringsplicht op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de sociale werknemersverzekeringswetten is aangenomen en niet de vereiste loonopgaven zijn gedaan. Ten gevolge hiervan zijn in augustus 2000 afrekenings-/correctienota’s en boetenota’s over 1995 tot en met 1999, resp. 1996 tot en met 1998 aan appellante opgelegd.
Bij het na bezwaar genomen besluit van 28 februari 2002 heeft gedaagde deze beslissingen onder aanname van verzekeringsplicht voor deze deelvissers op grond van genoemd artikelgedeelte gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante, die zich nog met name tegen de premiecorrecties keert, betoogd dat zij niets anders gedaan heeft dan tegen vergoeding ten belope van een deel van de besomming haar twee in eigendom toebehorende schepen en schuur ter beschikking te stellen van de opvarenden, zijnde de genoemde deelvissers, die ook over de betrokken persoonsgebonden visvergunningen en de nodige certificaten beschikten, waarvan zoon [L. jr]. door vererving in de plaats van zijn overleden vader was getreden, tevens de toenmalige echtgenoot van appellante.
Volgens appellante betreft het hier een bijzondere situatie waarin de deelvissers als mede-exploitanten van de vaartuigen van appellante moeten worden beschouwd.

De Raad overweegt als volgt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de sociale werknemersverzekeringswetten wordt mede als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming, tenzij hij als zodanig tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid verzekerd is bij het Sociaal Fonds voor de Maatschapsvisserij (SFM) of exploitant of mede-exploitant van het vaartuig is.

De Raad stelt feitelijk vast dat er hier, in tegenstelling tot de zienswijze van appellante, in de jaren in geding sprake is gebleven van een centrale positie van appellante als eigenaresse van de vissersvaartuigen en rechthebbende op 50% van de besomming zowel ten dele bestemd voor eigen vrij besteedbaar inkomen als ook ten dele om het groot en klein onderhoud aan de vaartuigen in de uitoefening van haar visserijbedrijf te financieren. Tevens was zij het die een opbergruimte/schuur voor netten en overig visgerei beschikbaar stelde. Door een en ander was het economisch bedrijfsrisico en het bedrijfsbeheer onmiskenbaar aan de zijde van appellante gelegen. In dit licht bezien kan naar het oordeel van de Raad appellante niet anders dan als exploitante bij uitstek in de zin van evenbedoelde wetsbepaling worden aangemerkt.
Volgens de Raad mist de opvatting van appellante dat de betrokken deelvissers uit hoofde van het bezit van visvergunningen en hun belangrijke rol in de praktische bedrijfsvoering tevens mede-exploitanten zouden zijn toereikende grondslag. Zulks leidt er immers niet toe dat laatstbedoelden enig economisch risico van betekenis voor het desbetreffende visserijbedrijf en met name de vaartuigen van appellante droegen. Dit blijkt ook niet uit afgesloten contracten en overigens zijn hiervoor evenmin concrete aanknopingspunten te vinden. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat meerbedoelde deelvissers niet als mede-exploitanten van de vaartuigen van appellante kunnen worden beschouwd. Nu het desbetreffende uitzonderingsgeval zich hier niet voordoet en evenmin het andere uitzonderingsgeval, genoemd in de hierboven geciteerde bepaling, stelt de Raad vast dat de hoofdregel van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder f, van de sociale werknemersverzekeringswetten hier van toepassing is en de betrokken deelvissers, die 20% van de besomming en wat de zoon betreft slechts 10% hiervan ontvingen, uit dien hoofde in de jaren in geding verplicht verzekerd van rechtswege zijn. Zij kunnen geacht worden in dienstbetrekking bij appellante te zijn, waarbij hun aanmerkelijk lagere deel in de besomming, in verhouding tot dat van appellante als werkgeefster, als loon dient te gelden.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak van de rechtbank komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x